Dit is zeker weer zo’n domme vraag?

bright

Gisteren had ik voor het eerst sinds jaren weer eens last van zenuwen voor een interview. Bright O. Richards is een van oorsprong Liberiaanse acteur en theatermaker, en tegenwoordig vooral bezig met zijn trainingswerk aan jonge asielzoekers. Voor dat laatste kreeg hij onlangs een prijs van het Oranjefonds.

Ik interviewde Bright een paar jaar geleden al een keer voor nrc.next,  over zijn voorstelling As I left my father’s house, geïnspireerd door zijn vlucht uit Liberia. Sommige vragen vond hij moeilijk te beantwoorden, omdat ze te pijnlijk waren of omdat hij er geen woorden voor had. In plaats van: ‘Ik praat hier liever niet over’, of ‘ik weet niet hoe ik je dat moet uitleggen’, zei hij telkens iets als: ‘Dat snap je toch? Zo gaan die dingen in een burgeroorlog.’ Ik kreeg steeds meer het gevoel dat ik domme vragen stelde.

Toen NRC me vroeg om Bright te interviewen naar aanleiding van de prijs voor zijn stichting New Dutch Connections heb ik zijn vrouw gebeld, Margriet Stuurman. Misschien had zij een idee hoe ik het interview deze keer moest aanpakken. Waren er taboes, dingen waar ik echt beter niet over kon beginnen? ‘Nee,’ zei ze. ‘Je mag alles vragen, alleen zul je niet altijd antwoord krijgen. Veel dingen zijn gewoon te ingewikkeld. Er zijn gebeurtenissen waar ik na vijftien jaar het fijne nog niet van weet.’

Gelukkig: als ik iets niet uit hem kreeg, lag het niet aan mij. Toch zag ik op tegen het interview, want zou ik wel een goed verhaal kunnen maken? Vorige keer verwerkte ik op een reportage-achtige manier mijn indrukken over hem en de voorstelling in het stuk, nu moest het een full quote-verhaal worden.

Ik besloot om maar meteen aan het begin van het gesprek mijn zorgen op tafel te gooien. Toen Bright het next-interview memoreerde, waar hij goede herinneringen aan had, zei ik: ‘Je gaf me toen het gevoel dat ik domme vragen stelde. Dat was denk ik jouw manier om te zeggen dat je ergens niet over wilde praten.’

‘Ja,’ grinnikte hij. ‘Margriet zegt dat ik nu op al je vragen antwoord moet geven.’

Dat deed hij niet, maar dat was niet erg. Toen ik wilde weten waaraan zijn vader was overleden, zei hij: ‘Tsja, waar gaan mensen zoal aan dood?’

‘Dit is zeker weer zo’n domme vraag, hè?’ vroeg ik, met een knipoog. Hij schaterde het uit.