Samen naar de grootgrutter

Foto: Sarah Wong

Foto: Sarah Wong

Drs P. interviewen en géén opnameapparaat meenemen. Hoe stom kun je zijn? Rob van Vuure biechtte het eerlijk op afgelopen week in zijn column in de hdc-kranten. Hij had een leuk gesprek gehad met Polzer, ergens bij het Concertgebouw, koffie en een sigaar erbij. Maar toen hij er ’s avonds voor ging zitten om er een mooi verhaal van te maken, kwam er niks uit zijn vingers. Aan de aantekeningen in zijn kladblokje had hij niet genoeg; die ‘kenmerkende, archaïsche volzinnen’ vroegen erom heel precies genoteerd te worden. Van Vuure deed het enige juiste: hij vroeg om een herkansing, met recorder. 

Ook al kom je als interviewer meestal een heel eind met alleen je aantekeningen en hebben de meeste geïnterviewden er baat bij dat je ze juist niet letterlijk citeert (omdat je hen meer recht doet als je hun zinnen wat bijschaaft), ik ga nooit de deur uit zonder opnameapparaat. Behalve die ene keer toen ik het vergeten was, prompt miste ik het verschrikkelijk. Het ging om een interview met een bevindelijk gereformeerde SGP-jongere, en aan het eind had ik een lamme hand van het schrijven. Want ook dit verhaal eiste precisie: de tale Kanaäns laat zich niet losjes parafraseren.

Toen ik Mart Smeets interviewde controleerde ik om de vijf minuten of mijn recorder nog liep: net als drs P. een man met een onnavolgbaar taalgebruik. Zo heeft hij het als enige Nederlander over de Ronde van Frankrijk – het viel me pas op bij het beluisteren van de opname. Hetzelfde gold voor Dries van Agt, die was in zijn tijd als actief politicus berucht om zijn kenmerkende, archaïsche volzinnen.

Tijdens het schrijven van het interview met van Agt gebeurde er iets raars: ik merkte dat zijn deftige, krullerige zinnen als ik ze letterlijk opschreef, het verkeerde effect gaven. Zwart op wit was het gewoon té, de lezers zouden denken dat hij ze niet meer op een rijtje had. En dus streek ik het een en ander glad. Het gesprek is alweer even geleden, ik weet mijn exacte aanpassingen niet meer. Maar ik vermoed dat hij bijvoorbeeld niet ‘mijn vrouw’ heeft gezegd, maar ‘mijn eega’.

Het interview begint uiteindelijk zo:

Uit respect en ‘waarachtige genegenheid’ voor zijn vrouw Eugenie, rukt hij zich zo nu en dan los van zijn studeerkamer. Anders zou hij altijd maar werken. “Nu ga ik met je boodschappen doen,” zegt hij dan. “Nu gaan we samen naar de grootgrutter. En dan draag ik de tas.”

(De rest is hier te lezen, p 8 t/m 10.)