Samen met Anja Vink heb ik een boek gemaakt voor De Haagse Hogeschool, ter gelegenheid van het afscheid van de collegevoorzitter, Pim Breebaart. Een bijzondere man, onderwijsmens tot in zijn vezels. (Hij wordt, tot scepsis van velen, opgevolgd door een brandweercommandant.) Het mooist wordt hij misschien wel geportretteerd in het interview dat ik had met Faisal Mirza, oud-student van De Haagse Hogeschool en protégé van Pim. Lees verder »
Je bekijkt nu het archief van de rubriek dagelijks leven.

Werk en privé lopen geregeld door elkaar bij mij. Of zijn op zijn minst nauw met elkaar verbonden. Zo zou ik waarschijnlijk niet zo geïnteresseerd zijn in onderwijs als ik geen kinderen had gehad. Vaak schrijf ik over onderwijszaken waar ik dankzij mijn kinderen mee in aanraking ben gekomen. Andersom komt ook voor: dat ik door mijn journalistieke werk word beïnvloed in mijn gedrag als onderwijsconsument, om het even formeel te zeggen. Lees verder »
Sommigen zullen het een kalenderwijsheid vinden, “slachtoffer zijn is een keuze”. Maar ik vind het een mooie spreuk, die een mens tot voordeel kan strekken. Ik heb ‘m van Teuntje Klinkenberg, die ik interviewde voor Kracht, naar aanleiding van haar boek De methode Coué. Ze vertelt daarin de geschiedenis van haar familie. Kanker is een terugkerend thema in het boek, en in haar leven. Een gemuteerd BCRA1-gen richtte heel wat aan: twee borstamputaties, verwijderde eierstokken en baarmoeder, en een gesmoorde carrière als toneelregisseuse. Lees verder »
Zoon A. (11) krijgt vaak op zijn kop. Ofwel hij praat te hard, ofwel hij staat te dromen terwijl hij zijn pyjama moet aantrekken, knoeit met zijn eten, maakt wat kapot (per ongeluk-expres), stampt op de trap of slaat met de deuren. Sinds we beseffen - nog niet eens zo lang - dat zijn grijze massa heel anders werkt dan bij de meeste kinderen, proberen we hem alleen nog te beknorren als het echt nodig is, maar toch. Meestal reageert hij gelaten op onze standjes, soms wordt hij driftig. Gisterenmiddag zei hij ineens met een grijns, zonder aanleiding (alles was pais en vree): “Mama, ik weet zeker dat je weleens een klein beetje denkt, hééééél diep in je hart,” hij hield duim en wijsvinger een stukje uit elkaar op borsthoogte, “Ik wou maar dat ik geen zoontje gemaakt had’.”
Omdat het over anderhalf jaar zo ver is dat zoon A. (11) van de oude vertrouwde mytylschool naar het vervolgonderwijs gaat, bezoeken we open dagen. Het vmbo hebben we uit ons hoofd gezet. Een neuropsycholoog van de RIAGG wreef het ons onlangs nog maar eens in: “Hij wordt géén professor, hoor!” Alsof we daar inmiddels zelf niet achter waren. Lees verder »
“Mijn CWI-consulent vond het niet zo’n goed idee dat ik mijn sollicitaties op rijm zette, ook al stond ik ingeschreven als dichter. Wist je dat dat een officieel beroep is? Er zijn alleen nooit vacatures.” Dichteres Sylvia Hubers was, toen ik haar in mei vorig jaar interviewde voor NRC Handelsblad, net ontslagen als feestwinkelmeisje. Lees verder »
Vandaag komt het Sociaal en Cultureel Planbureau met een rapport waaruit blijkt dat deeltijdwerken voor verreweg de meeste vrouwen een bewuste keuze is, ook als ze niet de zorg voor kinderen hebben. Omgekeerd kun je zeggen dat fulltime werken voor vrouwen met kinderen een taboe is in Nederland. Dat vermoedde ik al vóór mijn gesprek met econome Irene van Staveren, die ik begin dit jaar interviewde voor NRC Handelsblad. Dat het waar is, van dat taboe, bleek uit haar verhaal én uit de vele boze brieven die de redactie van NRC kreeg naar aanleiding van het interview, dat zo begint:
‘Tegen mijn buitenlandse studenten zeg ik altijd: “Nederland is een modern land als het gaat om abortus en euthanasie, maar achterlijk in de arbeidsparticipatie van vrouwen. In jullie landen is dat veel beter.” Dan zijn ze stomverbaasd, want mijn studenten komen uit Azië, Afrika en Zuid-Amerika, ze zien Nederland als zeer vooruitstrevend. Maar fulltime werkende moeders als ik zijn een uitzondering. Nog geen tien procent van de vrouwen met schoolgaande kinderen heeft een baan van 35 uur of meer, en de helft van hen heeft ook nog eens een partner die in deeltijd werkt.’
Toen ik haar ‘vond’, en ze ook nog bereid was tot een interview, had ik geluk. Want zoals blijkt uit bovenstaand citaat zijn vrouwen als Irene van Staveren schaars in Nederland. Feitelijk ken ik - behalve haar - in mijn wijde omgeving niet één fulltime werkende moeder met fulltime werkende echtgenoot. Zelf zou ik het bijna-fulltime-freelancen ook niet trekken, denk ik, met twee kinderen (waarvan een zorgenzoon), als ik geen echtgenoot had met minder ambities, een die meestal thuis is en veel zorg & huishouden op zich neemt.
Het hele interview kun je hier lezen.
Een keer per maand loop ik op de manege een middag te stappen naast Spetter, Ixia of Bam Bam, met op hun rug Chris, Doris of Riccardo: leerlingen van de mytylschool. Deze keer waren er behalve de vaste vrijwilligers ook een vijftal scholieren van een jaar of veertien die kwamen helpen in het kader van hun maatschappelijke stage. Dat gebeurt de laatste tijd vaker. Paardenmeisjes zijn het meestal. Vanmiddag waren er ook twee jongens, en het leuke was: zij hadden duidelijk meer met kinderen dan met paarden. Eén jongen - zwart, kroeshaar, slotjesbeugel - zei desgevraagd: ‘Ik vind paarden hélemaal niks.’ Maar toen Chris, een verstandelijk gehandicapte jongen van 18 in een rolstoel, huilend en schreeuwend protesteerde toen hij per lift het paard op moest (hij had geen zin, zoals meestal de laatste tijd), ging hij er nieuwsgierig bij staan. En zodra Chris, die bleef huilen en tieren, in het zadel zat, pakte hij kordaat het leidsel en ging lopen. Even later zag ik ze keuvelen, en dat zijn ze een half uur lang blijven doen, Chris werd alsmaar meer ontspannen en opgewekt. Stomverbaasd en ontroerd door zoveel natuurtalent vroeg ik de jongen later of hij soms een gehandicapte broer of zus had. ‘Nee,’ zei hij. ‘Ik heb alleen een nichtje. Een gewoon nichtje.’
Niet zo lang geleden zat ik met zoon A. (bijna 11) ’s avonds in de trein. Op zijn verzoek oefenden we de Engelse begrippen die hij voor de volgende dag moest kennen: brother, sister, family. Ik vond dat hij voor een moeilijk lerend kind al aardig uit de voeten kon met die taal. Vooral wat hij allemaal verstond, viel me reuze mee. Ik dacht aan wat hoogleraar vreemdetalenonderwijs Jan Hulstijn had gezegd, toen ik hem interviewde voor een artikel over Engels op de basisschool, namelijk dat óók kinderen die op lager niveau functioneren vaak heel goed in staat zijn om een vreemde taal te leren. Misschien niet de grammaticale regeltjes, maar leren spreken en verstaan lukt prima. ‘Vreemde talen leren zit in ieder mens’. Hij vond het daarom jammer dat in het praktijkonderwijs en in de lagere niveaus van het vmbo zo weinig aan Engels werd gedaan.
Intussen kwamen we aan op station Haarlem, het was al avond. A. zag, toen de deuren zich openden, een geheel leeg perron. Verbaasd riep hij uit: “No peoples!”
Deze maand in J/M Voor ouders mijn artikel Is this a shark?
Gisteren bij de schoenmaker zag ik Paul. Ik ontmoette hem zo’n twee jaar geleden, toen ik voor Haarlems Dagblad een reportage maakte over zijn school, praktijkschool Oost-ter-Hout. Paul viel daar op door zijn verfijnde trekken, beschaafde spraak en subtiele motoriek. Zijn klasgenoten wilden gaan leren voor automonteur of lasser, maar Paul niet. Hij wilde model worden, vertelde hij, met dromerige blik. Aan die blik herkende ik hem gisteren, toen ik hem achter de toonbank van de schoenmaker zag staan. Een robuust schort, zwarte handen, de lucht van leer en lijm - verder weg kon de catwalk niet zijn. Ik zei, zachtjes: ‘Vroeger wilde je model worden.’ Hij knikte en zei, zonder enige emotie: ‘Maar dit is het geworden.’





