Interviewers moeten terug naar de nederigheid, het respect en de bewondering. Dat zei journaliste Corine Koole onlangs in een lezing ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van haar uitgeverij. De aanleiding voor haar pleidooi was het interview van Greta Riemersma met Connie Palmen, in Volkskrant Magazine van 12 november. Riemersma staat volgens Koole voor een ‘groeiende groep interviewers’ die slechts keffen en bijten en authentieke nieuwsgierigheid ontberen. “Ze (…) stelt geen enkele vraag waaruit blijkt dat ze werkelijk wil weten, weten, weten wat voor vrouw Connie Palmen is. Kijk mij eens lekker brutaal zijn, schreeuwt ze haar als vragen vermomd commentaar. Kijk mij dit vogelverschrikkersvrouwtje eens pittig aanpakken.” Lees verder »
Je bekijkt nu het archief van de rubriek interviewen.
Ik ben niet zo’n #lovemyjob-type, een interviewer die voortdurend dankbaar is dat ze met zoveel bijzondere mensen mag praten die haar openhartig hun leven toevertrouwen en er nog geld voor krijgt ook. In mijn ogen is het toevallig wel de interviewer die dat bijzondere naar boven moet halen en vervolgens ook nog eens geloofwaardig opschrijven. En dat valt lang niet altijd mee.
Maar soms, op zijn tijd, word ik nederig. Dan zie ik het opeens wel degelijk als een voorrecht om zomaar iemands leven binnen te mogen stappen en alles te vragen wat je wil weten. Dat was het geval toen ik een paar weken geleden de Utrechtse antiquaar-schrijver Hans Engberts mocht interviewen. Normaal zeg ik dat nooit, dat ik iemand ‘mag’ interviewen (ik ‘ga’ of ik ‘moet’ altijd iemand interviewen), maar Engberts had een dag ervoor te horen gekregen van de artsen dat hij nog zo’n twee maanden te leven had. Als je tijd zo schaars is geworden en dan toch tweeënhalf uur uittrekt om te praten met iemand die je nooit eerder ontmoet hebt, dan kan ik alleen maar mijn hoed afnemen.
Van zijn verhaal zelf was ik ook erg ondersteboven. Met een verbijsterende levenslust bereidt hij zich voor op het einde. Nou, als het zó kan, ziek worden en doodgaan, dan valt er weinig meer te vrezen eigenlijk. Dat was wat ik dacht toen ik wegging. En iets als ‘lovemyjob’, ja, dat dacht ik ook. Ik ga er geen gewoonte van maken.
Twee maanden geleden schreef ik al over Vasil, de conciërge van Mytylschool de Regenboog in Haarlem, waar mijn zoon tot deze zomer op zat. Ik ontdekte bij toeval dat hij jarenlang het Straatjournaal verkocht had. Met collega en mede-mytylschoolmoeder Elise van der Velde ben ik hem op een ochtend gaan interviewen over zijn leven. Het resultaat stond 22 juli in Haarlems Dagblad en is hier te lezen.
Na dat gesprek met Vasil ben ik een beetje in verwarring. Lees verder »
De raadszaal in het gemeentehuis van Haarlem. Een hoorzitting over de afschaffing van de ID-banen (Melkertbanen, zeg maar). Het protestcomité had mij gevraagd als gespreksleider. Hoewel ik ook vond dat het wegbezuinigingen van de laatste honderd ID’ers in Haarlem niet bepaald sociaal was, had ik vooraf besloten dat ik met een onafhankelijke, journalistieke houding de bijeenkomst zou leiden. Ja, het was erg dat een speeltuin in de binnenstad van Haarlem misschien moest sluiten omdat de beheerder ontslagen werd. En nee, het gaf geen pas dat een vrouw die belangrijk werk deed bij het Straatjournaal weg moest zodat het voortbestaan van de daklozenkrant in gevaar kwam. Maar hé, meehuilen met de wolven, daar was ik niet voor ingehuurd, toch?
Lees verder »
Siddharta Mukherjee
Het was, als ik me goed herinner, voor het eerst dat ik een internationaal vermaard persoon ging interviewen. Het moest in het Engels, wat voor geen van ons beide de moedertaal was, maar hij, Siddharta Mukherjee, arts en schrijver van Keizer aller Ziektes, woont al zijn halve leven in Amerika en sprak die taal toch heel wat vlotter dan ik. Al die jaren Engels aan de universiteit leken even helemaal voor niets, ik voelde me een hakkelaar en een stuntelaar. Lees verder »
“In Nederlandse interviews begint het privéleven zo te domineren dat het onderscheid tussen kwaliteitskranten en pulpbladen vervaagt.” Aldus Frénk van der Linden, interviewer en organisator van Het Grote Interviewgala op 16 februari j.l. In de publiciteit rond dat gala kwam hij geregeld terug op deze kwestie. “Portretterende interviews leunen steeds meer op privé-elementen. Dus: ik ben misbruikt in mijn jeugd, en daardoor ben ik in mijn politieke partij voor dit en dat opgekomen. Het is vaak amateurpsychologie, ook in mijn eigen stukken.” (Volkskrant, 14-2-11). Lees verder »
Ooit interviewde ik voor de levensverhalenrubriek “Het verhaal van…” in NRC Handelsblad een jonge vrouw die actief lid was van de SGP. Het gesprek ging, dat hoeft niet te verbazen, over wat zij zocht en vond in het steile geloof, hoe ze met dat geloof midden in de maatschappij probeerde te staan enzovoorts. Wat ook niet hoeft te verbazen is dat ik mijn uiterste best deed om er een weerbarstig verhaal van te maken, waarin, om in zwaar christelijke sferen te blijven, een zekere worsteling zichtbaar was. Dat was, met enige moeite, gelukt. Zo vertelde de vrouw dat ze het als puber niet zo leuk vond dat haar moeder altijd precies op het juiste (lees: verkeerde) moment met thee kwam aanzetten als ze met haar vriendje op haar kamer zat. Lees verder »
Een interview is altijd een gestileerde, of misschien zelfs gemanipuleerde weergave van een gesprek. Als ik, zoals in het geval van de voormalig dakloze Famke Mackaay, drieënhalf uur met iemand praat en dat gesprek (voor NRC Next) moet vatten in 1200 woorden, kun je meer niet dan wél vertellen. De lezer moet er maar op vertrouwen dat mijn journalistieke filter goed werkt. Zelf vertrouw ik er ook meestal op dat mijn blik scherp genoeg is om Het Verhaal te destilleren uit het gesprek met de geïnterviewde. Ik moet natuurlijk zeggen: Een Verhaal, want iedere andere collega had een ander gesprek gevoerd en een ander interview geschreven. Als interviewer neem je jezelf altijd mee. Je persoonlijke ervaringen, je kijk op de wereld, je specifieke interesses en hang-ups, die kun je niet wegpoetsen. En dat hoeft ook niet. Het is tenslotte jouw verhaal.
Een tijdlang beschouwde ik mezelf als onderwijsjournalist. Dat begon ooit met een interview. Jan Obbeek, leraar op een kalme scholengemeenschap in Haarlem-Zuid, vertelde over de jaren dat hij les gaf op het zwarte Montessori College Oost in Amsterdam. Hij begon enthousiast en idealistisch, maar raakte gaandeweg steeds meer gefrustreerd. Vooral het seksisme en de homofobie van de jongens stuitten hem tegen de borst. Het interview (hier te lezen) sloeg in als een bom. Lees verder »
Nogal onverwacht kreeg ik een paar weken geleden de vraag waarom ik eigenlijk interview. De situatie was er niet naar om me er met een grap vanaf te maken (’brood op de plank!’), dus voor het eerst werd ik gedwongen om na te denken over die vraag.
Ischa Meijer heeft zich weleens laten ontvallen dat hij zo graag interviewde om zichzelf beter te leren begrijpen. Ook Frénk van der Linden zegt het, dat je als interviewer de vragen stelt waar je voor jezelf, voor je eigen leven, een antwoord op wilt hebben. Interviewen als psychotherapie. Ik zou me dus in goed gezelschap bevonden hebben als ik zo´n soort antwoord had gegeven. Alleen gaat het voor mij niet echt op. Lees verder »
Het verscheen al in 2007, maar ik heb het nu pas gelezen, het boek Interviewen van Arjan Visser. Een vermakelijk en voor beginnende interviewers leerzaam werkje. Visser - vooral bekend van zijn Tien Geboden-vraaggesprekken in Trouw - verhaalt met zelfspot van zijn interview-avonturen met bekende persoonlijkheden. De meeste waren voor mij zeer herkenbaar. Eén anecdote heb ik vrijwel identiek zo beleefd, zij het dat het bij mij net iets minder onfortuinlijk afliep. Lees verder »
Voor de trouwe lezers van dit blog die niet mijn berichten op Twitter volgen: afgelopen week ontspon zich hier naar aanleiding van een drie maanden oude posting ineens een levendige discussie over interviewen en geïnterviewd worden. Ik schreef over een interview in de VPRO-gids met Charlotte Mutsaers, naar aanleiding van de documentaire die Suzanne Raes over haar maakte. Mutsaers had er grote moeite mee dat Raes haar eigen verhaal wilde vertellen, mijn stelling was: een interviewer móet zijn eigen verhaal vertellen. Miss Leon, een kunstenares, vroeg zich af of ik wel voldoende consideratie had met de - per definitie - gevoelige kunstenaarsziel. Even later viel Charlotte Mutsaers haar bij. Hoorde een interviewer cq documentairemaker niet te werken vanuit oprechte interesse in de ander? Bien sûr! Eind goed, al goed. Lees hier de oorspronkelijke posting en de reacties.
Een interviewer wordt geacht zijn of haar emoties in bedwang te houden. Toch overkomt het me elk jaar wel een keer dat ik volschiet tijdens een gesprek. Meestal als de geïnterviewde met een uitgestreken gezicht een treffende metafoor gebruikt om een ellendige situatie te typeren. Maar soms ook om iets grappigs, of tragi-komisch.Tijdens het interview met de chronisch zieke Anne Mreijen voor NRC Next (vandaag op de ZIN-pagina, hier te lezen) hield ik het niet droog toen ze vertelde over de eerste ontmoeting met haar vriendje, vier jaar geleden tijdens het vorige WK-voetbal. Hilarisch, hoe zij als “soort van witte engel” op een scootmobiel het hoofd op hol bracht van een 15-jarige jongen. Nu - vier jaar later - is ze veel zieker dan toen, maar ze zijn nog altijd samen. Diep-romantisch vind ik dat.
Ach ja, waarom niet gewoon twéé jonge acteurs interviewen, die allebei zo’n half jaar geleden hun moeder verloren aan longkanker. Samen, in een dubbelportret. Nou, bijvoorbeeld omdat het in alle opzichten tegenpolen zijn. Dan maak je het jezelf behoorlijk lastig als interviewer. Want een dubbelinterview kan alleen slagen als er sprake is van enige chemie tussen de twee gesprekspartners. Lees verder »
Al eerder vertelde ik op dit blog over mijn ontmoetingen met de Rotterdamse daklozenhulpverlener Evert Vos, die zich zo blijmoedig bekommert om de verstotenen en de verloederden van de stad. Ik leerde hem kennen toen ik vorig jaar voor Binnenlands Bestuur een reportage over hem maakte, waarbij het Rotterdamse daklozenbeleid het uitgangspunt was. Voor NRC Next wilde ik graag een persoonlijk portret van hem maken: de mens achter de hulpverlener. Ik ging een dag met hem mee, en kwam thuis met een hoofd vol indrukken. En met de vraag hoe ik het verhaal zó kon opschrijven dat het niet weeig of sentimenteel zou worden. Want alle ingrediënten voor een sob story waren aanwezig: een gedreven hulpverlener, gelovig christen bovendien en dan al die treurige levensverhalen van daklozen. Die soms - ook dat nog - gered werden. Op Twitter verzuchtte ik: ‘Hoe ga ik dát nu eens aanpakken?’ En kreeg prompt een geweldig advies van iemand die jaren als eindredacteur heeft gewerkt. Ik ben benieuwd of oplettende lezers kunnen ontdekken welk stijlmiddel ik heb toegepast. En natuurlijk of zij vinden dat ik geslaagd ben in mijn poging het een beetje nuchter te houden. Het verhaal uit NRC Next is hier te lezen.
Kun je een goed interview maken met iemand die je vervelend vindt? Ik heb het niet over een telefoongesprekje met een wetenschapper over een technisch onderwerp, maar over een groot, portretterend interview, waarin je probeert iemands diepste drijfveren en verlangens bloot te leggen. Kun je zo’n interview maken met iemand waar je in meer of mindere mate afkeer voor voelt, om wat voor reden dan ook? Lees verder »
In de VPRO-gids van deze week (13) staat een interview met schrijfster en beeldend kunstenaar Charlotte Mutsaers. Elke interviewer zou het moeten lezen. Mutsaers verwoordt heel precies de gedachten en gevoelens die over haar kwamen toen er een documentaire over haar werd gemaakt: ”Al mijn inspanning is erop gericht om een beeld van mijn levensgevoel te geven. (…) Dat doe je onder andere omdat je het idee hebt dat je in je leven vaak bent misverstaan. Daar zit een enorme drive achter. (…) Als iemand anders dan een verhaal over jou wil maken, begeeft hij zich op in jouw ogen verboden terrein en dat is onverdraaglijk.”
Hij heeft maar een bijrol in het verhaal dat ik dit weekend schreef , een reportage voor NRC Next over het werk van de Rotterdamse daklozenhulpverlener Evert Vos. (Over hem heb ik al eerder geschreven op dit weblog.) Ik moest me inhouden omdat Evert de hoofdpersoon was, maar eigenlijk had ik nog veel meer over Jos willen vertellen. Lees verder »
Een miljoen exemplaren waren er al verkocht van Komt een vrouw bij de dokter vóór de verfilming te zien was. Een duizelingwekkend aantal, en intussen zullen het er wel nog meer zijn. In november sprak ik Kluun voor een interview in Kracht. Het was een paar dagen voor de première van de film, waarin Carice van Houten de rol speelt van Carmen, alias Kluuns aan borstkanker overleden vrouw Judith.
Het was een ontspannen gesprek, Kluun is niet alleen in zijn boeken, maar ook in werkelijkheid een Brabantse volksjongen zonder capsones, ondanks zijn gigantische succes als schrijver. Ik vertelde hem dat ik zijn boek gekocht had bij boekhandel Atheneum in Haarlem, tijdens een bijeenkomst van poëzieminnaars (de nieuwe dichtbundel van stadsdichteres Sylvia Hubers werd gepresenteerd). Nieuwsgierig begon ik erin te lezen, wat me, heel komisch, op misprijzende blikken kwam te staan. Lees verder »
“Geachte Mevrouw Kooijman. Folia, het weekblad voor de Universiteit van Amsterdam (UvA), publiceert sinds enige tijd een serie gesprekken onder de titel Roem: interviews met toonaangevende/bekende mensen uit de wereld van kunst, cultuur, wetenschap, economie, politiek of media, die hebben gestudeerd aan de UvA. Omdat u aan dat profiel voldoet zou ik willen vragen of u mee wil doen aan een interview. Het interview zal hooguit een uur in beslag nemen, op een plek en tijd die u schikt. Mogelijk worden de interviews na afloop gebundeld in een boek. Voorafgaand aan het interview, of na afloop, zal fotograaf Bob Bronshoff een foto van u nemen. Uiteraard kunt u het interview voor publicatie inzien.
In december schreef ik over het bijzondere gesprek dat ik had met Thiandi Grooff, het 19-jarige meisje dat tot haar veertiende als zwaar verstandelijk gehandicapt werd beschouwd, totdat ze leerde communiceren via een letterbord. Nu studeert ze aan de universiteit. Vandaag staat het resultaat van die ontmoeting in NRC Next (het is hier te lezen).
Thiandi heeft zelf, zoals het stramien van de vrijdagse Zin-pagina voorschrijft, een kadertje gevuld met haar weekprogramma. Dat is door de redactie iets ingekort wegens ruimtegebrek, waardoor haar opmerking is weggevallen dat ze nog assistenten nodig heeft. “Met humor graag!” had ze daaraan toegevoegd. Bij deze haar oproep alsnog. Mij lijkt het geen gemakkelijke, maar wel een zeer interessante, dankbare en leuke (bij)baan om Thiandi’s assistent te mogen zijn!
Afgelopen najaar ben ik vanuit Istanbul de Zee van Marmara overgestoken naar Balıkesir, een landerige provincieplaats in Anatolië. ‘Het Almelo van Turkije’, noemde iemand het eens. Ik ging erheen om voor NRC Next een vraaggesprek te houden met Kadir Canatan, cultureel antropoloog. Van zijn twintigste tot zijn zesenveertigste woonde hij in Nederland, de laatste jaren in Rotterdam. Hij was een gewaardeerde sociaal wetenschapper, had vrienden, zijn kinderen waren in Nederland geboren. En toch wilde hij na al die jaren terug naar Turkije, hij voelde zich hier ineens niet meer thuis. Veel Nederlandse Turken dromen van een leven in Turkije, maar hij gíng. Lees verder »
In de tien jaar dat ik interviews maak, heb ik veel inspirerende mensen ontmoet en bijzondere levensverhalen gehoord. Verhalen die je anders naar de wereld doen kijken. Gisteren had ik voor NRC Next een interview met Thiandi Grooff. Ze heeft bij haar geboorte een hersenbeschadiging opgelopen waardoor ze niet kan praten en ook verder weinig controle heeft over haar spieren. Haar ogen kijken je niet aan, en alleen zo nu en dan kun je van haar gezichtsuitdrukking iets aflezen. Haar bovenlichaam beweegt voortdurend van voor naar achter, soms grijpt ze onwillekeurig naar iets dat op tafel ligt. Ze maakt geluiden, die ze niet kan stoppen. Lees verder »
Met een aantal collega-journalisten had ik laatst een discussie over het vak van interviewen. Ze vonden dat het geen enkel verschil maakte of je geïnterviewde een bekend of een onbekend persoon was. Dat is natuurlijk onzin, en ze bedoelden dan ook eigenlijk dat het geen verschil zou mogen maken. Want onbekende mensen kunnen net zo goed interessant zijn. Ja, hè hè.
Intussen zat ik na te denken wat het dan zo anders maakt om een interview te maken met iemand van wie we allemaal al heel veel weten. Het antwoord is simpel: je sluit aan bij alles wat al eerder is gezegd en geschreven over hem of haar (of wat hij/zij zelf heeft geschreven en gezegd) en probeert daar iets verrassends aan toe te voegen. Anders dan bij ‘zomaar iemand’ met een bijzonder verhaal laat je een BN’er niet zijn hele geschiedenis vertellen, maar pik je er elementen uit en gaat daar een beetje in prikken en roeren, in de hoop dat je uiteindelijk een - soms heel bescheiden - nieuw licht kunt werpen op (een deel van) de persoon. Of dat gelukt is in mijn interview met Mart Smeets voor Kracht, mag de lezer bepalen.
De nieuwe Kracht is in de bus gevallen, met Boulah op de cover. Bonnita Postma heeft dat vriendelijke gezicht mooi geportretteerd. De bijnaam van Boulahrouz is ‘de Kannibaal’, vanwege zijn messcherpe manier van verdedigen. Op de foto’s en filmpjes die ik bekeek ter voorbereiding van het interview (zie eerder logje) had hij altijd een verbeten, vertrokken kop. Maar dat waren actiebeelden, Boulah aan het werk op het voetbalveld. Ik vond één foto waarop hij vrolijk keek, een trouwfoto. Sabia, heet zijn vrouw. Na afloop van het interview vroeg ik of ze Italiaanse was. ‘Dat dacht ik eerst ook,’ zei Boulah. ‘Ik hoopte het. Ik stuurde haar een sm’s je: “where’re you from?” Toen ze terug sms’te “I’m from Turkey” dacht ik: “O mijn god, nee.”‘ Lees verder »
Een jaar geleden schreef ik over mijn allereerste krantenartikel (Uit de oude doos ), een reportage in het reiskatern van de Volkskrant over de Haarlemse draaiorgelhal. Bij het ordenen van mijn archief kwam ik een ander “orgelverhaal” tegen, een interview met orgelbouwer Cees van Oostenbrugge. Lees verder »
Afgelopen week verscheen mijn eerste interview in NRC Next. Iris Blatter, een intelligente, ambitieuze jonge vrouw van 22 loopt vast in het hoger onderwijs omdat men daar geen rekening kanof wil houden met haar handicap, het syndroom van Asperger. Een van de ’symptomen’ is een zekere starheid die haar belemmert in het samenwerken met medestudenten. Lees verder »

Het is vooraf altijd spannend hoe een interview verloopt. Je kunt je nog zo goed voorbereiden, maar als een geïnterviewde alleen maar ‘tja’, of ‘eh’ of ’daar vraag je me wat’ zegt, schiet het niet op. Gelukkig is me dat nog nooit overkomen. Even was ik er bang voor met Khalid Boulahrouz. Lees verder »
Sommigen zullen het een kalenderwijsheid vinden, “slachtoffer zijn is een keuze”. Maar ik vind het een mooie spreuk, die een mens tot voordeel kan strekken. Ik heb ‘m van Teuntje Klinkenberg, die ik interviewde voor Kracht, naar aanleiding van haar boek De methode Coué. Ze vertelt daarin de geschiedenis van haar familie. Kanker is een terugkerend thema in het boek, en in haar leven. Een gemuteerd BCRA1-gen richtte heel wat aan: twee borstamputaties, verwijderde eierstokken en baarmoeder, en een gesmoorde carrière als toneelregisseuse. Lees verder »
Het is een werkwoord bij ons thuis, “brillen”. Voor het Haarlems Dagblad moest ik weleens tamelijk bizarre gebeurtenissen verslaan, zoals een castingbureau dat in een verzorgingstehuis screentests afnam bij bejaarden. Die hadden ze nodig voor een reclamespotje. Als ik me van te voren zuchtend afvroeg hoe ik dat nu weer moest aanpakken, journalistiek gesproken, riep echtgenoot uit: “Brillen! Gewoon brillen!” En het hielp, te denken hoe Martin Bril zoiets beschreven zou hebben. Hij was de beste stilist, een waar voorbeeld.
Een paar maanden geleden heb ik Bril nog een mailtje gestuurd, met het verzoek om een interview voor Kracht. Geen antwoord. Niet lang daarna hoorde ik hem in een (erg leuk) interview met Mieke van der Weij zeggen dat hij best over zijn ziekte wilde praten, maar dat hij er geen zin in had ‘om ambassadeur van het kankerinstituut te worden’ (of woorden van die strekking). Toen heb ik het er maar bij laten zitten. Jammer. Nu zal ik nooit weten of hij het misschien toch gedaan had, als ik doorgezet had.
“I’m sure some people must think I haven’t got a care in the world. I try to keep my feelings of hopelessness to myself. I don’t want people to think I can’t cope. I have to stay strong for my three lovely daughters. But inside my heart is breaking and my head is a mess.”
Via Google Blog Search ontdekte ik het weblog van Julie Evett uit het Engelse Devon. Ze heeft een ernstig gehandicapt dochtertje van tweeënhalf, Rose. Een vriendin had haar mijn NRC-interview met de moeder van A. opgestuurd, vertaald en wel. Een vreemde gewaarwording om dat verhaal in het Engels te lezen. Op het log van Julie Evett staat ook een interview in The Daily Mirror met haarzelf, uit september 2008. Toen werd een 32-jarige vrouw, Joanne Hill, veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf voor de moord op haar vierjarige gehandicapte dochtertje Naomi. Lees verder »
Het is alweer zeven jaar geleden, maar het blijft een van mijn merkwaardigste vraaggesprekken. Voor de rubriek Lusten & Lasten van de Volkskrant zou ik Leny van Schaik interviewen, een in Haarlem bekende koordirigente. We zouden praten over de turbulente periode in haar leven waarop ze, getrouwd en wel, verliefd werd op een vrouw die ook getrouwd was (met een man). Intussen waren haar vriendin en zij al heel wat jaren bij elkaar, en hadden ze - zo meen ik het mij te herinneren - allebei goed contact gehouden met hun ex-man. Lees verder »
Volgende week verschijnt de laatste aflevering van de interviewrubriek “Het verhaal van…” in NRC Handelsblad. Vanaf naar ik meen - ik kon het niet terugvinden in het archief - begin 2005 kwam er in het Zaterdags Bijvoegsel (later Zaterdag &cetera) elke week iemand aan het woord met een opmerkelijke levensloop of een bijzondere geschiedenis. Een van de mooiste vond ik het verhaal van Rajendra Devkota (50), die uit Kathmandu illegaal naar België emigreerde en 87 dagen een hongerstaking hield om te mogen blijven. Het verhaal is opgetekend door Petra de Koning en begint zo: “Gisteren heb ik een e-mail gestuurd naar het Guinness Book of World Records. Ik denk niet dat er eerder iemand was van mijn leeftijd die een hongerstaking zo lang heeft volgehouden. Een wereldrecord is goed, een wereldrecord is een wereldrecord.” Lees verder »
Vandaag eindelijk tijd gehad om de uitzending van Rondom Tien te bekijken over “zinvol leven”. Naar aanleiding van mijn interview met de moeder van A. in NRC Handelsblad spraken ouders van ernstig meervoudig gehandicapte kinderen, artsen en een ethica over wat nog een menswaardig bestaan is, en wat niet. Carolyn, de moeder van de negenjarige Livia, maakte indruk op mij door haar eerlijke en nuchtere manier van spreken (ze deed me sterk denken aan de moeder van A.). Op het verzoek van Cees Grimbergen om haar dochter te beschrijven, zei ze: “Ze is lang en dun. Ze kan niks, ze weet niks. Ze is eigenlijk niks.” Lees verder »
Mijn gezelligste vraaggesprek ooit was dat met Marjan Berk voor de laatste Kracht (zie pagina interviews). In haar vaste nis in Bodega Keijzer in de Amsterdamse Van Baerlestraat liet Berk allerlei heerlijkheden aanrukken. “Neem voorál de garnalenkroketjes! Die zijn hier zalig!” Het gesprek waaierde voortdurend alle kanten op, van interviewen (Berk heeft ooit voor het Algemeen Dagblad een serie interviews gemaakt) en journalistieke ethiek naar haar theaterloopbaan en van baptistenkerken en soulfood in New York naar de restyling van het etablissement waar we zaten. “Nog iets eten? Ik betaal, het is voor het goede doel!” Niet eerder was het zo lastig om mijn hoofd te houden bij datgene waarvoor ik was gekomen: een interview. Over nota bene een triest onderwerp: de veel te vroege dood van haar schoondochter. Voor haar tweejarige kleindochter Belle schreef Berk een boek met herinneringen, Boek voor Belle. Het gaat, drie jaar nadat haar moeder overleed aan baarmoederhalskanker, gelukkig goed met de inmiddels vijfjarige Belle en haar broers. En Marjan Berk was blij dat haar boek af was, het had haar veel moeite gekost om het tot een goed einde te brengen zonder sentimenteel te worden, vertelde ze. Dankzij haar prijs in de Lotto vorig jaar (een miljoen) was ze niet alleen gul jegens mij: alles wat Boek voor Belle haar aan inkomsten oplevert, gaat naar KWF Kankerbestrijding.
“Mijn CWI-consulent vond het niet zo’n goed idee dat ik mijn sollicitaties op rijm zette, ook al stond ik ingeschreven als dichter. Wist je dat dat een officieel beroep is? Er zijn alleen nooit vacatures.” Dichteres Sylvia Hubers was, toen ik haar in mei vorig jaar interviewde voor NRC Handelsblad, net ontslagen als feestwinkelmeisje. Lees verder »
Anders dan ik verwachtte, is op het verhaal van de moeder van A. geen enkele afkeurende reactie gekomen. De briefschrijvers (veertien stuks) betuigden hun medeleven en steun, en sommige vertelden hun eigen - ellendige - verhaal. Zoals de (jonge) man met ondraaglijke en ongeneeslijke zenuwpijn, die erop wijst dat euthanasie voor wilsbekwamen ook vrijwel onmogelijk is, als ze geen terminale ziekte hebben. Artsen bepalen of iemand ‘uitzichtloos en ondraaglijk’ lijdt, niet de patiënt, terwijl de arts alleen iets zinnigs over de uitzichtloosheid kan zeggen, niet over de (on)draaglijkheid van het lijden. Met als gevolg dat onze euthanasiewet een papieren wet is. Zoals oud-huisarts Karel Gill het zei: ‘Ons zelfbeschikkingsrecht is prima geregeld. Alles kunnen we zelf kiezen: schoolopleiding, beroep, levenspartner. Alleen op het eind heb je niks meer te zeggen.’
Hier de geplaatste reacties in NRC van afgelopen zaterdag (met prachtige illustratie van Olivia Ettema).
In augustus schreef ik over mijn kennismaking met de wereld van de multi complex gehandicapte kinderen, ernstig lichamelijk en verstandelijk gehandicapte kinderen, met een geestelijke leeftijd tussen de 0 en de 2 jaar. A. is zo’n kind. Een jongen van inmiddels elf. Zijn moeder vertelt: “Hij kan niet lopen, niet praten, meestal niet zelf plassen of ontlasting produceren, eten lukt vaak niet, daarom heeft hij een maagsonde. Zo’n vier maanden per jaar ligt hij in het ziekenhuis. (…) We weten niet wat er in hem omgaat.”
Een van de leukste soort interviews - zowel om te maken als te lezen - vind ik die waarin mensen over hun beroep vertellen. Anders dan bij human-interest-interviews over persoonlijke drama’s of particuliere levenswendingen, die je vaak in verwarring achterlaten, heb ik bij zo’n relaas-achter-de-schermen van een beroepsbeoefenaar het gevoel dat ik de wereld weer wat beter begrijp. Lees verder »
“Ik ken een hoogbejaarde ex-danser die hier vlakbij in een tehuis wegkwijnt. Ik zoek hem weleens op, hij viel een keer in slaap terwijl we zaten te praten. Hij is incontinent en zondert zich altijd maar af in zijn eigen kleine kamertje. Voor het bij mij zo ver is, hoop ik dat er een dokter is die me wil helpen, zoals bij Hugo Claus. Al denk ik dat je steeds je grenzen zult verleggen, tot je op een punt komt dat je de kracht en de mogelijkheden niet meer kunt vinden om er een eind aan te maken. Behalve hier over het relinkje van de daktuin te stappen en naar beneden te zeilen.” Lees verder »
Vandaag, op de dag dat Roel van Duijn zijn afscheid van de politiek viert, het verhaal van Gerben Hellinga (71) in NRC Handelsblad. Met dank aan fotograaf Maurice Boyer, die het prachtige portret maakte. Hellinga maakt zich enorm kwaad om het paddoverbod. Je snapt waarom, als je leest hoe hallucinerende middelen zijn leven hebben verrijkt.
Paddo’s worden illegaal vanaf maandag 1 december, een deel van de coffeeshops moet dicht, zelfs in cafés mag je geen sigaret meer opsteken. Allemaal omwille van onze gezondheid. ”De hypocrisie regeert,” fulmineerde Gerben Hellinga toen ik hem vorige week interviewde naar aanleiding van het paddoverbod. “Op elke straathoek kun je een fles whisky kopen en als je die opdrinkt, ben je dood.”
‘Van het doosje scheerzeep in de badkamer heb ik jaren gedacht dat het uit Scherpenzeel kwam. Ik was een keer in Scherpenzeel, en toen dacht ik: “Hé, dat ken ik, van de scheerzeep!”. Toen ging me nog steeds geen licht op, dat kwam later pas. Op een dag zag ik ineens wat er echt stond. Scheerzeep.’ Zo eindigt mijn interview met Henk Blokzijl, afgelopen zaterdag in NRC Handelsblad. Deze huisschilder te Dronten is dyslectisch én hoogbegaafd. Dat laatste weet hij pas sinds hij zich op zijn drieëndertigste liet testen bij Mensa, de vereniging voor hoogintelligente mensen. Voor de grap ging hij mee met zijn vriendin, en tot zijn eigen ontsteltenis bleek hij niet dom te zijn, zoals hij altijd had gedacht, maar een IQ te hebben van 142. Volgens Henk zijn er veel Mensa-leden met een soortgelijk verhaal. Mensen die altijd gedacht hadden dat er bij henzelf een steekje los zat, totdat ze ontdekten dat ze gewoon enkele graadjes slimmer waren dan de rest. Gisteren, een dag nadat het in de krant verscheen, mailde Henk me dat Mensa naar aanleiding van het interview al veertig testaanvragen had binnen gekregen.
Vandaag komt het Sociaal en Cultureel Planbureau met een rapport waaruit blijkt dat deeltijdwerken voor verreweg de meeste vrouwen een bewuste keuze is, ook als ze niet de zorg voor kinderen hebben. Omgekeerd kun je zeggen dat fulltime werken voor vrouwen met kinderen een taboe is in Nederland. Dat vermoedde ik al vóór mijn gesprek met econome Irene van Staveren, die ik begin dit jaar interviewde voor NRC Handelsblad. Dat het waar is, van dat taboe, bleek uit haar verhaal én uit de vele boze brieven die de redactie van NRC kreeg naar aanleiding van het interview, dat zo begint:
‘Tegen mijn buitenlandse studenten zeg ik altijd: “Nederland is een modern land als het gaat om abortus en euthanasie, maar achterlijk in de arbeidsparticipatie van vrouwen. In jullie landen is dat veel beter.” Dan zijn ze stomverbaasd, want mijn studenten komen uit Azië, Afrika en Zuid-Amerika, ze zien Nederland als zeer vooruitstrevend. Maar fulltime werkende moeders als ik zijn een uitzondering. Nog geen tien procent van de vrouwen met schoolgaande kinderen heeft een baan van 35 uur of meer, en de helft van hen heeft ook nog eens een partner die in deeltijd werkt.’
Toen ik haar ‘vond’, en ze ook nog bereid was tot een interview, had ik geluk. Want zoals blijkt uit bovenstaand citaat zijn vrouwen als Irene van Staveren schaars in Nederland. Feitelijk ken ik - behalve haar - in mijn wijde omgeving niet één fulltime werkende moeder met fulltime werkende echtgenoot. Zelf zou ik het bijna-fulltime-freelancen ook niet trekken, denk ik, met twee kinderen (waarvan een zorgenzoon), als ik geen echtgenoot had met minder ambities, een die meestal thuis is en veel zorg & huishouden op zich neemt.
Het hele interview kun je hier lezen.
In een eerder logje schreef ik al over haar, Soumia Marchouh, die op haar veertiende naar Nederland kwam uit ‘donker Marokko’, zonder ooit naar school te zijn geweest, ze was analfabeet. Vier jaar later sprak ze Nederlands, had ze leren lezen en schrijven én had ze haar mavodiploma gehaald. Lees verder »
Van de week mocht ik Rudi van Dantzig interviewen. Dat ‘mocht’ is wel op zijn plaats, want hij voelt zich al een tijd moe en niet zo gezond. Bovendien had hij net een drukke tijd achter de rug met een balletprogramma in het Muziektheater, dat het Nationale Ballet ter ere van zijn 75ste verjaardag had samengesteld. Hij was blij dat de rust was weergekeerd en hij verder kon met schrijven aan zijn biografie over balletpedagoge Sonia Gaskell, maar fotograaf Erik Hijweege en ik hebben bij elkaar bijna zijn hele dag in beslag genomen. Allercharmantst nam hij niettemin de tijd, ’s ochtends voor mij, ’s middags voor Erik. Lees verder »
De nieuwe Kracht is uit, het mooie, journalistiek gemaakte magazine over kanker. Je kunt het meepakken uit de wachtkamer van de huisarts, of je neemt een gratis abonnement. In het jongste nummer een achtergrondartikel over dure geneesmiddelen, het verhaal van een ex-borstkankerpatiënte die van de zomer zes keer de Alpe d’Huez op fietste, en van mijn hand een interview met de 88-jarige actrice Elisabeth Andersen en een vraaggesprek met Marten Oosting.
In mijn logje over het interview met Maarten Oosting had ik het grappenderwijs over gaan huilen tijdens een interview, als wapen om de geïnterviewde “open te breken”. In werkelijkheid heb ik dat nooit gedaan. Wel is het me een paar keer overkomen dat ik tijdens een vraaggesprek door emoties overmand ging zitten snotteren. Zoals die keer dat Frans van den Mosselaar, communicatieadviseur en oud-journalist (in de jaren tachtig was hij enige jaren NVJ-voorzitter), vertelde over zijn dochter Saskia, die op vijftienjarige leeftijd door een gemotoriseerde psychopaat werd overreden. Zelf hield hij het droog. Heel precies en zorgvuldig, op dicteersnelheid formulerend deed hij verslag van het rouwproces dat hij doormaakte. Hoe hij na maanden langzaam weer interesse kreeg in de wereld om hem heen. Ineens weer een krant in zijn handen nam, al drongen de koppen niet eens tot hem door. En hoe hij er op den duur dankzij zijn liefde voor Mozart enigszins vrede mee kreeg dat Saskia’s leven maar zo kort geduurd had. Lees hier het interview dat ik in 2003 met hem had voor Haarlems Dagblad. Frans is afgelopen woensdag overleden, vandaag wordt hij begraven.
Hij staat bekend als een aimabel mens, Marten Oosting, v/h Nationale Ombudsman, v/h voorzitter van de onderzoekscommissie vuurwerkramp Enschede, en scheidend voorzitter van KWF Kankerbestrijding. Maar ook als iemand die zelden of nooit iets over zijn persoonlijke leven vertelt, zodat weinigen buiten de eigen intieme (familie-)kring hem echt kennen. Of ik dus voor het KWF-magazine Kracht maar een interview met hem wilde maken waarin hij “als mens” naar voren kwam, met zwakheden en al. Dat moest, met mijn human interest-ervaring (en mijn charmes) toch niet zo vreselijk moeilijk zijn. Als je op de juiste knoppen drukt, praat uiteindelijk iedereen graag over zichzelf, wist ik. Nou, Oosting mooi niet. Lees verder »
Je doet het er nooit om als journalist, maar soms is het wel leuk als blijkt dat een interview voor het ’slachtoffer’ prettige gevolgen heeft voor zijn of haar dagelijks leven. Zo kreeg dichteres Sylvia Hubers na publicatie van haar relaas in NRC Handelsblad, waarin ze vertelde over haar moeizame arbeidsleven en haar ervaringen met uitkeringsinstanties, veel bemoedigende reacties alsmede enkele opdrachten voor gedichten. Eén daarvan, zo mailde ze me een tijdje geleden enthousiast, was voor een eenmalig tijdschrift bedoeld voor medewerkers van… het UWV. Het is een prachtig gedicht geworden, een van Hubers mooiste, vind ik. Lees verder »
Een tijdje geleden schreef ik dat de redactie van Kracht (het nieuwe magazine van KWF Kankerbestrijding) en ik op zoek waren naar een interviewkandidaat, een bekend persoon die met kanker te maken heeft gehad en daarover zou willen vertellen. Het was kortdag, dus drukbezette types als mr. van Vollenhoven en René Froger vielen af, althans voor het komende nummer. Het is Elisabeth Andersen geworden, nauwelijks meer een bekende Nederlander te noemen, maar ooit was ze de koningin van het Haagse toneel. Ze is al 88 maar de vleesgeworden vitaliteit. Lees verder »
Even reclame maken voor een nieuw gratis blad waar ik sinds kort voor werk: Kracht, een driemaandelijks magazine over kanker. KWF Kankerbestrijding geeft het uit, vorige maand is het eerste nummer verschenen. Het is met een journalistiek oog gemaakt. Je kunt je gratis abonneren. Voor het eerste nummer heb ik Annette Roozen geïnterviewd, de paralympische atlete die in haar puberteit botkanker kreeg en sindsdien een onderbeen mist. Momenteel zijn de redactie en ik op zoek naar een volgend ’slachtoffer’. Iemand die met kanker te maken heeft gehad, liefst een bekend persoon, en die daar ook nog eens over wil vertellen. En iemand met een niet al te volle agenda, want de deadline is al over drie weken. Relus ter Beek, commissaris van de koningin in Drenthe, wordt gepolst. En René Froger. Dochter van 13 wist te vertellen dat diens Toppers-concert achter de rug is. ’Dan heeft hij het vast niet meer zo druk’.
Een dezer weken zal mijn artikel over bejaardencriminaliteit in NRC Handelsblad verschijnen. Daarvoor heb ik gesproken met een leuke, originele hoogleraar in de oudemensengeneeskunde, met de voorzitter van het college van procureurs generaal, met de ooit roemruchte criminoloog en advocaat Peter Hoefnagels. Toch was het Kees die de meeste indruk maakte. Kees, een verlopen crimineel op leeftijd met een rode coltrui die van middenmoter tot kruimeldief was afgezakt, maar zichzelf nog steeds reuze vond. Ik vond hem onsympathiek, maar intrigerend. Zoals hij mij van mijn stuk bracht met de nichterige opmerking: ‘Kind, je moet wat aan je nagels doen.’ Het viel best mee met die nagels van mij, maar mooi dat ik nu al een tijdje in de weer ben met nagelriemcreme en nagelverharder. En nagelvijl en nagellak natuurlijk. Hij moest eens weten.
























