Hij heet Orhan, of Wesley, of Aziz. Hij is tien jaar, en verzuimt geregeld op school. ‘s Avonds is hij vaak tot laat op straat en zijn moeder kan duidelijk de opvoeding niet aan. Vader houdt zich afzijdig. Hulp wordt afgewezen, vader reageert agressief op Jeugdzorgmedewerkers die de ouders tot vrijwillige opvoedingsondersteuning proberen te bewegen.

Iedereen voelt dat er iets niet goed gaat en her en der gaan er handen jeuken. Maar zolang de jongen niet mishandeld wordt en ook geen ernstig probleemgedrag vertoont, kan Jeugdzorg alleen maar toekijken. Is dat erg? Of slaan we door met het willen beschermen van kinderen?

Sinds het meisje Savannah in 2004 na langdurige mishandeling en verwaarlozing door haar moeder en vriend om het leven kwam, heeft de politiek behoefte om daadkrachtiger te kunnen ingrijpen bij probleemgezinnen. Al enige jaren is er nieuwe wetgeving in de maak die daarin moet voorzien.

Binnenkort spreekt de vaste Kamercommissie voor Justitie over een wetsvoorstel van de ministers Hirsch Ballin van Justitie en Rouvoet van Jeugd en Gezin. Zij willen de juridische mogelijkheden verruimen om preventief te kunnen ingrijpen als ouders falen. Zodat de ouders van Orhan (en die van Wesley en Aziz) vóórdat het misgaat gedwongen kunnen worden om hulp te accepteren.

De belangrijkste wijziging ten opzichte van de huidige wet is dat ondertoezichtstelling (ots) een regulier instrument wordt in de hulpverlening, in plaats van een uiterste maatregel. Een ots wordt uitgesproken door de kinderrechter; ouders zijn verplicht begeleiding te accepteren van een gezinsvoogd. Het kind blijft in eerste instantie thuis wonen, maar later kan eventueel uithuisplaatsing volgen.

Nu zijn alleen mishandeling, verwaarlozing of misbruik of een anderszins zorgelijke situatie waarbij sprake is van een ernstige bedreiging van de geestelijke of lichamelijke gezondheid van het kind grond voor overheidsingrijpen. Maar de verantwoordelijke bewindslieden willen al in een eerder stadium kunnen optreden. Zij vinden dat een kind al onder toezicht gesteld moet kunnen worden wanneer het zich niet voldoende ontwikkelt, en de ouders niet genegen zijn om hulp te accepteren.

Vrijwillig

Het is onnodig en onwenselijk om de wettelijke mogelijkheden op te rekken, vindt Caroline Forder, bijzonder hoogleraar Rechten van het Kind aan de Vrije Universiteit. Forder: ‘Preventief ingrijpen kan ook met de huidige wetgeving. Zelfs een ongeboren kind kan onder toezicht worden gesteld. Ik begrijp werkelijk niet wat men nu precies wil met dit voorstel. Wat moeten hulpverleners nog meer kunnen doen, wat nu niet kan?’

Forder is bang dat meer bevoegdheden voor Jeugdzorg eerder kwaad dan goed zullen doen. ‘Nu zijn hulpverleners verplicht om zo lang mogelijk in gesprek te blijven met de ouders, de dialoog aan te gaan: “Wat wilt u eigenlijk voor uw kind, en hoe kunnen we er samen voor zorgen dat dat gebeurt?” Met dit wetsvoorstel dreigt het vrijwillige traject veel te snel verlaten te worden of zelfs overgeslagen. En dat kan uiteindelijk zeer schadelijk zijn voor de relatie tussen ouders en kind, en dus ook voor de ontwikkeling van het kind. Het grondwettelijk principe dat ouders hun kinderen mogen opvoeden zonder bemoeienis van de overheid, dreigt met voeten getreden te worden. Nederland wordt een Oostblokstaat als we niet oppassen.’

Kritisch

Ook de Raad van State was zeer kritisch in haar advies en oordeelde dan ook negatief over het voorstel. De Raad wijst erop dat ondertoezichtstelling maar in 28 procent van de gevallen voor het kind tot een verbetering van de situatie leidt. En daarbij gaat het bovendien om kinderen met zware problemen. De Raad ziet niets in ondertoezichtstelling voor kinderen met relatief lichte problemen.

‘Eerst zal de doeltreffendheid van de huidige ots moeten toenemen voordat aan uitbreiding van de reikwijdte van de ots en de verruiming van de mogelijkheden tot gezagsbeëindiging kan worden gedacht’, aldus het advies. Forder: ‘Ik onderschrijf de kritiek van de Raad van State. Wat nodig is in de jeugdzorg, is dat gezinsvoogden beter getraind worden, zodat ze ouders meer hulp en begeleiding kunnen bieden. Bovendien is het van belang dat er een einde komt aan de versnippering in de zorg. De dood van Savannah had niet voorkomen kunnen worden met ruimere juridische bevoegdheden. Savannah was namelijk al eerder uit huis geplaatst, en is weer teruggegaan naar haar moeder, met alle gevolgen van dien. Het probleem was de versnippering: hulpverleners genoeg, maar ze wisten van elkaar niet wat ze deden.’

De Tweede Kamer heeft de ministers bestookt met vragen en opmerkingen naar aanleiding van het voorstel. CDA-woordvoerder Ine Aasted-Madsen licht toe: ‘Wij vinden het heel belangrijk dat kinderen die in nood zijn, in veiligheid worden gebracht. Maar er mogen in het hulpverleningstraject geen stappen worden overgeslagen. Dat gebeurt nu al te vaak, helaas. Het komt voor dat iemand bij Jeugdzorg aanklopt voor hulp en dat een week later haar kind weggehaald is. Na twee uitzendingen van het programma Das je goed recht op SBS 6 over onterechte uithuisplaatsingen door Jeugdzorg, kreeg ik meer dan duizend reacties.’

Aasted-Madsen maakt zich ernstig zorgen over de positie van ouders. Ook nu al, zonder aanscherping van de wet. ‘Er is de laatste jaren een omslag te zien. Kinderen worden sneller uit huis geplaatst en gaan niet meer terug, tenzij dit in het belang van het kind is. Maar dat is de omgekeerde wereld. Het kind hoort terug te gaan, tenzij dit niet in het belang van het kind is. Ik realiseer me dat politieke druk mede de oorzaak is van deze ontwikkeling, maar we moeten uitkijken dat we niet doorslaan naar de andere kant.’

Noodzaak

Jan-Dirk Sprokkereef is directeur van Bureau Jeugdzorg Friesland en bestuurslid van de MO-groep Jeugdzorg, waarin de directeuren van de Bureaus Jeugdzorg zich verenigd hebben. Hoewel hij benadrukt dat een middel als ondertoezichtstelling ‘zeer terughoudend’ moet worden toegepast, ziet hij wel degelijk de noodzaak van een aanpassing van de huidige wet.

‘Het overgrote deel van de ouders met wie wij te maken hebben, accepteert hulp. Maar er is een kleine groep die zich daaraan onttrekt en waar wij niets kunnen uitrichten, omdat de zogenaamde “kindsignalen” ontbreken. Dat wil zeggen dat de toestand nog niet zo ernstig is dat het kind fysieke tekenen van verwaarlozing of mishandeling vertoont, en ook nog overlastgevend probleemgedrag. En toch zijn wij er van overtuigd dat de opvoedingssituatie op de langere termijn een bedreiging is voor het kind. Bijvoorbeeld als het in de puberteit komt. Het is wachten op een crisis’, stelt Sprokkereef.

Zonder ‘kindsignalen’ kan de rechter volgens de huidige wet geen ondertoezichtstelling uitspreken. De Jeugdzorg-manager zou het toejuichen wanneer dat in bepaalde gevallen wel zou kunnen. Zoals bij Orhan, Wesley en Aziz. Het (fictieve) voorbeeld aan het begin van dit verhaal is van hem. ‘Met een ondertoezichtstelling kunnen deze ouders gedwongen worden hulp te aanvaarden. De kinderrechter neemt in zijn beschikking de concrete bedreigingen op, en als die na een half jaar of een jaar verdwenen zijn, kan de ots weer worden opgeheven.’

Bedreigingen

Die ‘concrete bedreigingen’ zijn overigens minder concreet dan ze lijken. Het voorontwerp van het wetsvoorstel uit 2007 bepaalde dat de kinderrechter bij het uitspreken van de ondertoezichtstelling ‘duidelijke en toetsbare doelen’ moest opnemen in zijn beschikking. Doelen – bijvoorbeeld dat een kind dagelijks op tijd naar school gaat – waaraan ouders en gezinsvoogd samen zouden moeten werken. Op verzoek van de MOgroep Jeugdzorg is deze passage geschrapt en veranderd in ‘concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige’.

Volgens Jan-Dirk Sprokkereef gaat het slechts om een nuanceverschil, maar Kamerlid Aasted-Madsen en hoogleraar Forder betreuren de wijziging. Forder: ‘Het was juist een van de goede punten van het wetsvoorstel. Die doelen maakten het mogelijk voor de kinderrechter om te controleren of er aan de voorwaarden voor de ingreep is voldaan.’

Aasted-Madsen heeft de bewindslieden namens haar fractie verzocht om de ‘duidelijke en toetsbare doelen’ weer op te nemen in de wetstekst. Wat gaat er nu gebeuren met het wetsvoorstel? Volgens Aasted-Madsen zal er hoogstwaarschijnlijk niet meer voor de verkiezingen over worden gestemd. ‘Het lijkt me sowieso goed om, voor we ingrijpende wetswijzigingen doorvoeren, het kamerdebat over de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg af te wachten en ook de bevindingen van de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg, want dat hangt allemaal nauw met elkaar samen.’

Forder vindt het bijzonder jammer dat de behandeling van het voorstel zoveel tijd neemt. Want er staan volgens haar ook heel goede dingen in het wetsvoorstel, en die lopen nu ook vertraging op. Zoals een verbetering van de positie van pleegouders. Forder: ‘Pleegouders maken soms mee dat een kind waar ze lang voor gezorgd hebben, ineens bij hen wordt weggehaald. Iedereen vond dat dat eigenlijk niet kon, en dat is geregeld in dit wetsvoorstel. Maar voorlopig verandert er dus niets.’

Meer macht burgemeester

Burgemeesters krijgen volgens het wetsvoorstel Herziening kinderbeschermingsmaatregelen meer bevoegdheden. Ze kunnen bijvoorbeeld via de Raad voor de Kinderbescherming bij de kinderrechter een ondertoezichtstelling aanvragen. ‘Nee, ik denk niet dat we dit pad op moeten’, reageert Bernt Schneiders, burgemeester van Haarlem en voorzitter van het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.

‘Het afdwingen van opvoedingsondersteuning bij de rechter gaat mij veel te ver. Die bevoegdheid hoort toch echt bij Jeugdzorg thuis. Als een burgemeester hierin fouten maakt – ten onrechte wel of niet ingrijpt – zie ik gebeuren dat hij hier ook nog eens politiek op wordt afgerekend’, vreest Schneiders, die benadrukt dat hij op persoonlijke titel spreekt. ‘Het lijkt erop dat men de burgemeester in stelling wil brengen omdat instanties niet goed met elkaar samenwerken, en dan vraag ik me af waar het einde is. Ik zeg: in de beperking toont zich de burgemeester.’

Brigit Kooijman

gepubliceerd in Binnenlands Bestuur, 16 april 2010