pa100208

De redactie van de Kaukasuskrant bijeen, onder supervisie van Peter Scheffer van de Alfred Mozerstichting. Op de voorgrond Isa en Vanand (op het achterhoofd gezien). foto: Marion van der Vegt

Nagorno-Karabach is een enclave in Azerbeidjan, waar in de jaren negentig kort maar heftig om gevochten is door Armenië en Azerbeidjan. Armeniërs en Azerbeidjanen hebben nog altijd een zeer moeizame, om niet te zeggen vijandige verhouding. Afgelopen zaterdag heb ik in een zaaltje van de Leidse universiteit een gespreksmiddag geleid over Nagorno-Karabach, georganiseerd door de stichting Dutch Friends of Azerbeidjan (dufoa). Armeense en Azerbeidjaanse studenten (die in Nederland wonen) waren uitgenodigd om deel te nemen aan een forumdiscussie. Behalve een dertigtal Azerbeidjanen was er één Armeniër gekomen: Vanand, een student politicologie uit Leiden. Vooral dankzij zijn aanwezigheid werd het een inspirerende, hoopvolle bijeenkomst.

Samen met een student van Azerbeidjaanse afkomst, Isa (ook politicologie, maar dan aan de UvA), fungeerde hij gedurende drie kwartier als hoofdredacteur van de – fictieve – ‘Kaukasuskrant’. Om te laten zien dat verschillen overbrugbaar zijn, als je dat echt wilt, maakten ze gebroederlijk de voorpagina. En of er nieuws was! Het toeval wilde (ik geloof dat het echt toeval was) dat diezelfde dag Turkije en Armenië – in Zürich, in het bijzijn van Hillary Clinton – bezig waren een akkoord te sluiten, waarin ze afspraken de grenzen te openen en de diplomatieke betrekkingen te herstellen.

Vanand en Isa zijn het eens geworden over de tekst van het bericht over Zürich. Net als de Turkse premier Erdogan een dag later zou doen, merkte Isa op dat Armenië wel de bezetting van Nagorno-Karabach zou moeten opheffen, wilde het akkoord slagen. Vanand was het daarmee eens. Maar, zo zei hij, dat probleem zou vast en zeker opgelost kunnen worden. De organisatoren, de aanwezige deskundigen en ik waren verrast en ontroerd door deze Armeens-Azerbeidjaanse toenadering op micro-niveau. Islamoloog Alexander de Groot, een keurige oudere heer met een bekakte tongval en een aanstekelijke lach (waarmee hij de zware Kaukakus-problematiek wonderwel verteerbaar wist te maken), sloeg na afloop de beide jongens op de schouders en riep: ‘Gewéldig! Gewéldig!’