foto: Ruben Eshuis

foto: Ruben Eshuis

“In Nederlandse interviews begint het privéleven zo te domineren dat het onderscheid tussen kwaliteitskranten en pulpbladen vervaagt.” Aldus Frénk van der Linden, interviewer en organisator van Het Grote Interviewgala op 16 februari j.l. In de publiciteit rond dat gala kwam hij geregeld terug op deze kwestie. “Portretterende interviews leunen steeds meer op privé-elementen. Dus: ik ben misbruikt in mijn jeugd, en daardoor ben ik in mijn politieke partij voor dit en dat opgekomen. Het is vaak amateurpsychologie, ook in mijn eigen stukken.” (Volkskrant, 14-2-11).

Afgezien van de vraag of het werkelijk zo is dat interviews tegenwoordig vaker over privézaken gaan (Bibeb kon er ook wat van), geloof ik niet dat een hoger privé-gehalte (met een kleine p dus) automatisch een hoger pulp-gehalte betekent. Het gaat er natuurlijk maar helemaal om *hoe* je als interviewer iemand laat vertellen over zijn persoonlijk leven. Is het verrassend, verwarrend, buiten de gebaande paden, leerzaam, humoristisch, dan is het per definitie geen pulp. Lukt het je vervolgens ook nog om op scherpe wijze iemands persoonlijke geschiedenis in verband te brengen met de actualiteit, met de manier waarop iemand zijn functie uitoefent (“ik ben misbruikt in mijn jeugd, dus daardoor ben ik in mijn politieke partij voor dit en dat opgekomen”, zoiets) dan heb je literair en journalistiek goed werk geleverd, lijkt mij.

Een andere kwestie is of geïnterviewden tegenwoordig makkelijker en sneller over persoonlijke dingen praten. Dit is een stelling van Arjan Visser, bekend van de Trouw-serie “De tien geboden”. In het vakblad Villamedia zegt hij (in een interview door Frénk van der Linden): “Ik vraag me af of het ons is aan te rekenen dat bijna iedereen die je interviewt tegenwoordig bereid is met de benen wijd te gaan liggen. Alsof het een code is geworden, en het raar is als je weigert daar als geïnterviewde in mee te gaan.”

Waarom is Visser hier zo geïrriteerd over? Als interviewer leef je toch bij de gratie van andermans openhartigheid? Je wilt toch verhalen vertellen, hoe zou dat mogelijk zijn als mensen niet bereid zijn om jou hun vertrouwen te geven? Ik denk te weten hoe het zit. Een interviewer die van zijn vak houdt, wil graag een beetje moeite moeten doen. Des te zoeter namelijk de smaak van een goed gelukt verhaal.  Zonder te hoeven duwen en trekken, of juist zachtjes masseren, en zonder de pyschologische trukendoos te hoeven openen, is er veel minder aan.

Laatst had ik deze ervaring toen ik musicalster Pia Douwes interviewde voor Kracht, het magazine van KWF Kankerbestrijding. Tijdens de voorbereiding had ik al ontdekt dat Pia in eerdere interviews heel veel over zichzelf verteld had: dat ze ernstig gepest is als kind, dat ze depressieve neigingen heeft, dat ze zich bij tijden heel eenzaam voelt. Een soort teleurstelling wekte dat bij me op, niet alleen omdat anderen al zoveel gras voor mijn voeten hadden weggemaaid, maar ook omdat zij kennelijk een gewillig interviewobject is, om het oneerbiedig te zeggen (al zeg ik het nog wat netter dan Arjan Visser). En dat bleek ze inderdaad te zijn. Maar mijn teleurstelling veranderde in een soort van respect en bewondering toen ik vroeg waarom ze eigenlijk zo gemakkelijk tegen vreemden sprak over de meest intieme dingen zoals haar depressieve periodes. Totaal ontwapenend zei ze: “Waarom zou ik daar in godsnaam moeilijk over doen?”

Op het menselijk vlak was het dus een aangename ontmoeting. Maar ik moet eerlijk zeggen dat ik als interviewer uiteindelijk toch liever de zwaardere kluiven heb.

Lees hier mijn interview met Pia Douwes.