Jacqui Banaszynski

Jacqui Banaszynski

Zo’n 150 journalisten waren afgelopen vrijdag bijeen voor de Eerste Conferentie Verhalende Journalistiek. Het was een emotioneel gebeuren. Voor mij, maar ik denk dat dat gold voor heel veel deelnemers. Verreweg de meeste waren freelancers, voor hen is het al opwindend om met zoveel collega’s bij elkaar te zijn en de hele dag over journalistiek te praten, en dan nog wel over dat ene bijzondere, in Nederland niet al te ontwikkelde genre.

Dan waren er de verhalen, die tijdens de lezingen en workshops voortdurend bij wijze van voorbeeld de revue passeerden. Van de twee aan AIDS lijdende varkensboeren in Minnesota, het verhaal waarvoor hoofdgast Jacqui Banaszynski ooit de Pullitzer Prize kreeg, tot de tragisch gestorven hond in Joris van Casterens reportage Requiem voor een pitbull.

Maar het ontroerendst waren voor mij de inzichten. Eigenlijk was ik vergeten dat dat mogelijk is, tranen in je ogen krijgen wanneer je iets hoort of leest waarvan je onmiddellijk weet dat het kostbare kennis is. Vaak was het niet eens helemaal nieuw wat ik hoorde, maar wist ik dat het dit keer zou beklijven en dat ik er écht iets aan zou hebben.

Zo vertelde Jacqui Banaszynski in haar openingslezing hoe ze worstelde met het schrijven nadat ze was teruggekeerd uit het door oorlog en hongersnood geteisterde Soedan, waar ze op reportage was geweest in de vluchtelingenkampen. Ze had drie weken om het verhaal te schrijven, en na tweeënhalve week had ze nog niks op papier weten te krijgen. Haar beste vriendin Becky, die ze al heel haar leven kende, sprak op een gegeven moment haar voicemail in: “Ik weet dat je denkt dat je geen tijd hebt, maar ik wil dat je nú wat van je laat horen.” Om van het gezeur af te zijn besloot ze Becky een brief te schrijven. Ze ging zitten aan haar bureau op de redactie en schreef en schreef en schreef, vijf uur lang, over wat ze allemaal had meegemaakt terwijl ze in Soedan op reportage was. Toen ging ze naar huis om wat te slapen, om daarna dan eindelijk haar verhaal te gaan schrijven. Ze moest wel. Terug op de redactie printte ze de brief aan Becky uit, las ‘m over en realiseerde zich met een schok dat dit het verhaal was. “Ik hoefde alleen maar wat al te persoonlijke dingen te schrappen, zoals dat mijn vriendje me niet begreep en nog wat van die dingen, en dan had ik mijn reportage.”

Op hetzelfde moment kwam de hoofdredactrice op haar af gebeend, zwaaiend met een boekje. Het was het dagboek dat ze had bijgehouden in Soedan. Een vriend die wist van Jacqui’s writer’s block had het haar baas stiekem toegespeeld. “Hoe kom je daaraan?” vroeg ze, happend naar lucht van verbazing en kwaadheid. “Doet er niet toe,”  zei de hoofdredacteur. “Schrijf dit uit. Dit is je verhaal.”

Zo simpel kan het zijn, en tegelijk zo moeilijk. Want voor ik begon aan dit blogje heb ik een tijd gepiekerd over wat ik nu zou vertellen over die lange, inspirerende dag, wat ik eruit zou lichten als hoogtepunt. Dat piekeren was niet nodig geweest, want wat was het eerste wat ik aan mijn echtgenoot vertelde toen ik thuiskwam? Juist.