oor-en-pen

Afgelopen dinsdag vond de eerste Gerard van Westerloo-lezing plaats, georganiseerd door de Stichting Verhalende Journalistiek ter ere van de vorig jaar overleden legendarische reportageschrijver Gerard van Westerloo. Hoofdspreker was Alan Cullison, Moskou-correspondent van de Wall Street Journal. Zijn betoog was moeizaam te volgen, onder meer omdat Cullisons zinnen vaak eindigden in een introvert gemompel, alsof hij zelf niet helemaal geloofde in wat hij zei. Misschien waren het zenuwen, geen idee. Na afloop kon het publiek vragen stellen, die gingen allemaal over zijn werk als terrorisme-verslaggever, waar hij tijdens zijn lezing nauwelijks over gerept had. Toen raakte hij in zijn element en hing de zaal alsnog aan zijn lippen.

Toch zei Cullison ook in zijn eigenlijke lezing iets wat de afgelopen week telkens weer in mijn gedachten terugkeerde: een journalist hoort zijn hoogstpersoonlijke nieuwsgierigheid te volgen. Hij vertelde hoe zijn jeugd getekend was door de ziekte van zijn moeder, ze leed aan schizofrenie. Het begrip ‘gekte’ intrigeerde hem, en de grens tussen gekte en anti-sociaal gedrag. Die fascinatie bracht hem ertoe om als verslaggever vele weken in gevangenissen door te brengen. Later raakte hij geïnteresseerd in de wereld van het moslimterrorisme, waarin hij intussen een gerenommeerd expert is.

Ik wist al dat dat zo was, dat je eigen nieuwsgierigheid de motor moet zijn die jou als journalist aan de gang houdt. In de keuze van je onderwerpen, maar ook bijvoorbeeld als je iemand interviewt. Tijdens een interview mag, nee moet je je bij je vragen laten leiden door wat jij graag wil weten. Jij geeft het verhaal van de ander vorm, jij bent de auteur, zoals een schilder op zijn eigen wijze van iemand een portret maakt. Om met de oude Parool-journalist Willem Wittkampf te spreken: ‘Het zijn zijn woorden, maar het is mijn verhaal’. (Lees hier een portret van Wittkampf door Tom Kellerhuis.)

Ik wist het dus al, maar toch was ik blij om het nog een keer te horen uit de mond van een prijswinnende Wall Street Journal-collega, dat een journalist moet koersen op zijn eigen interesses en hartstochten. De week ervoor had ik namelijk met nogal wat aplomb hetzelfde betoogd voor een zaal van tweedejaars studenten van de School voor Journalistiek in Utrecht, tijdens de uitreiking van de Blog Awards. Net als mijn mede-juryleden was het me opgevallen dat studenten die blogden over een thema dat hen na aan het hart lag, het ‘t best deden. Zo ging de eerste prijs naar een Oost-Groninger die schreef over de laatst overgebleven communisten in zijn geboortestreek, de tweede prijs naar een blog over oorlogsfotografie, van een studente die altijd al fotografe had willen worden, en de derde prijs naar iemand die blogde over depressie, omdat ze ooit een vriendje verloor aan die ziekte.