azerZe kwamen helemaal uit Groningen, Apeldoorn, Nijmegen, Den Haag, naar het Mondiaal Centrum in Haarlem. Afgelopen week leidde ik er een discussieavond over Azerbeidjan. Vooraf wist ik niets van het land – ik had zelfs moeten opzoeken waar het ook alweer lag – laat staan dat ik ooit een Azeri ontmoet had. Nu zaten er ineens zo’n twee dozijn in de zaal, merendeels jonge studenten. Door de geschiedenis heen was het Azerbeidjaanse volk de speelbal van grotere mogendheden – Rusland, Turkije, Iran – en in constante rivaliteit met buurland Armenië.

Die geschiedenis bleek voor de jonge Azerbeidjanen hier in Nederland – de meeste zijn hier als kind gekomen – nog springlevend. Jeroen Vervliet, directeur van de bibliotheek van het Vredespaleis, hield een voordracht over het ontstaan van de huidige landsgrenzen in de Kaukasus. Een oude Britse landkaart – ik meen uit het Interbellum – wekte de verontwaardiging van enkele mannelijke studenten. Armenië was veel te groot afgebeeld!

Een andere spreker, Peter Scheffer, benadrukte hoe belangrijk het is om naar de toekomst te kijken. Als vrijwilliger van de Alfred Mozerstichting geeft hij trainingen aan democratisch gezinde politieke bewegingen in Oost-Europa. Een aantal aanwezigen vonden dat je pas naar de toekomst kon kijken als het verleden verwerkt was. En het verleden is nog lang niet verwerkt in de Kaukasus. Nagorno-Karabach, en met name het bloedbad van Khodjaly in 1992 is nog een open wond bij de Azerbeidjanen.

Gelukkig was daar Leylam. Een 22-jarige schone die in Nederland woont sinds ze 13 is. In perfect Nederlands, met Haagse tongval, liet ze weten dat ze het heel goed vond wat Scheffer daar deed in haar moederland. “Ik vind ook dat we naar de toekomst moeten kijken.” Na afloop van het debat vroeg ik haar of ze overwoog om later terug te gaan naar haar land, om daar met haar opleiding – ze deed hbo-rechten – goede werken te verrichten. Haar antwoord was teleurstellend en hoopvol tegelijk. “Nee,” zei ze. “Ik ben veel te blij dat ik in Nederland woon.”