foto-15

Altijd was ik iemand van de korte baan. Ik had het er een paar blogjes geleden al over. Toen ik nog vertaler was, vertaalde ik opiniestukken voor de krant en later films en t.v.-programma’s. Eén keer waagde ik mij aan de vertaling van een boek, en toen die af was, kon je me opvegen. Dat nooit meer! Later werd ik journalist, en in die hoedanigheid schuwde ik weliswaar de degelijke, langere stukken niet, maar vond het toch altijd weer fijn als een verhaal na een, twee of drie weken af was en ik aan het volgende kon beginnen. Nu weet ik wat ik al die jaren gemist heb.

Eergisteren was ik op bezoek bij het hoofdpersonage (HP) van mijn beoogde boek, een hoogbejaarde actrice met een bijzonder oorlogsverhaal. Tijdens ons vorige gesprek een week eerder, had ze verteld dat ze heel haar leven een dagboek had bijgehouden, en dat ze alle schriften had bewaard. Hoe onervaren als boekenschrijver ik ook ben, ik begreep meteen dat dit een geweldige bof was omdat het mijn werk veel makkelijker (en beter) zou maken. Als HP mij tenminste toegang zou verschaffen tot die dagboeken. Ik besloot nog even te wachten met dat verzoek, daar het juiste moment voor af te wachten. Een dagboek is tenslotte iets zeer intiems, dat je niet zomaar aan iedereen laat lezen. Ik hield er zelfs rekening mee dat ik ze helemaal nooit te zien kreeg.

En toen kwam eergisteren de tweede bof. HP kon zich een datum niet meer herinneren en liep zonder aarzelen naar haar grote, antieke houten bureau en trok de middelste lade open. Daar lagen ze, stapels hardgekafte schriften. Ze vond al snel het juiste schrift, uit 1942 en 1943.  Ze begon voor te lezen, en als bij toverslag bevonden we ons in Amsterdam ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Soms lachte ze en schudde haar hoofd om haar jeugdige hoogdravendheid, maar ze leek net zo nieuwsgierig als ik over wat ze ruim zeventig jaar geleden geschreven had. Ze had die dagboeken nooit meer ingezien, vertelde ze.

Al drie keer had ik een interview met HP gemaakt, waaronder twee keer een min of meer diepgravend vraaggesprek voor NRC Handelsblad, maar nooit waren die dagboeken ter sprake gekomen. Waarom zouden ze ook? Zelfs al heb je 1800 woorden voor een interview, na een paar uur praten heb je meestal al zo’n overkill aan informatie dat het je zou duizelen als je daarnaast nog documenten in handen zou krijgen. Terwijl nu die dagboeken, net als brieven (die HP ook nog  heeft) en ander authentiek materiaal, van onschatbare waarde zijn. Niet alleen als bron van feitelijke informatie, maar ook om je onderwerp gevoelsmatig, qua sfeer in je vingers te krijgen. Opeens zag ik de lol in van het langebaan-schrijfwerk: een wereld induiken niet alleen om de lezer er even aan te laten ruiken, maar om die wereld te herscheppen in geuren en kleuren.