Een van de leukste soort interviews – zowel om te maken als te lezen – vind ik die waarin mensen over hun beroep vertellen.  Anders dan bij human-interest-interviews over persoonlijke drama’s of particuliere levenswendingen, die je vaak in verwarring achterlaten, heb ik bij zo’n relaas-achter-de-schermen van een beroepsbeoefenaar het gevoel dat ik de wereld weer wat beter begrijp. Ooit hoorde ik van iemand over een interview van Ischa Meijer met een sloper, die met veel liefde vertelde over zijn vak, en alles wat daar bij kwam kijken. De kennis en kunde, de precisie die nodig bleken om een afgedankt gebouw zonder ongelukken neer te halen! Helaas heb ik het interview nooit uit de eerste hand kunnen lezen, maar erover te horen vertellen was genoeg voor mij om het geweld van sloopkogel en grijparm voortaan met een andere blik te bezien.

Al een hele tijd wilde ik graag eens een forensisch patholoog interviewen. Wat voor iemand moet je zijn om dat werk te kunnen doen? Is een forensisch patholoog een speurder, een halve rechercheur, zoals series als Silent Witness ons willen doen geloven? Went het ooit, om dagelijks de gevolgen van misdaad en geweld te zien? Een forensisch patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut, Pieter Van Driessche, heeft het me allemaal in zeer boeiende, soms wat plechtig-Vlaamse bewoordingen verteld: “Ik voel me echt arts, hoe vreemd sommigen dat ook vinden. Ik doe geneeskundig werk, zij het op overleden mensen. Zij zijn mijn patiënten, het zijn individuen, hun lichaam is een deel van hun nalatenschap.” Vandaag staat Het verhaal van Pieter Van Driessche in NRC Handelsblad.