Zoon A. (11) krijgt vaak op zijn kop. Ofwel hij praat te hard, ofwel hij staat te dromen terwijl hij zijn pyjama moet aantrekken, knoeit met zijn eten, maakt wat kapot (per ongeluk-expres), stampt op de trap of slaat met de deuren. Sinds we beseffen – nog niet eens zo lang – dat zijn grijze massa heel anders werkt dan bij de meeste kinderen, proberen we hem alleen nog te beknorren als het echt nodig is, maar toch. Meestal reageert hij gelaten op onze standjes, soms wordt hij driftig. Gisterenmiddag zei hij ineens met een grijns, zonder aanleiding (alles was pais en vree): “Mama, ik weet zeker dat je weleens een klein beetje denkt, hééééél diep in je hart,” hij hield duim en wijsvinger een stukje uit elkaar op borsthoogte, “Ik wou maar dat ik geen zoontje gemaakt had’.”