foto-39Het was een bijna vergeten, maar daarom niet minder interessante kwestie. Ik begon erover omdat ik nieuwsgierig was naar hoe hij erop terugkeek na al die jaren, en omdat er raakvlakken waren met het hoofdonderwerp van mijn interview: zijn nieuwe boek, Lege stad. Ik heb het over Guus Luijters (70), de schrijver en journalist die 35 jaar geleden door Jeroen Brouwers in een schotschrift door de mangel werd gehaald. In een compleet nummer van het literaire tijdschrift Tirade fulmineerde Brouwers tegen wat hij noemde ‘jongetjesliteratuur’. Vooral op Luijters, liefhebber van Nescio en zelf eveneens schrijver van ‘het kleine gebaar’, richtte hij zijn pijlen:

Guus Luijters en de Guus Luijtersgelijken (…) ‘doen’ niet gewoon, ze zijn gewoon, doodgewoon zijn ze, niets te vertellen, niets te betogen hebben ze, en achter hun ‘gewoon doen’ gaat niets anders schuil dan luiheid en beschetenheid, verloederdheid, talentloosheid en hobbyisme. Dat ‘gewoon doen’ geldt als excuus voor het feit dat ze niks weten, niks kunnen, en niks willen weten en kunnen dus zo snotjongensachtig mogelijk de ene flutflater op de andere dropdruppel vinden te mogen laten volgen (…)

En dat 90 pagina’s achtereen. Renate Rubinstein viel hem bij in haar Tamar-column in Vrij Nederland en vervolgens ontmoette Luijters van alle kanten virulente haat en woede. Ik wist dit omdat mijn echtgenoot (67), die de affaire destijds gevolgd heeft, me er ooit over verteld had. Toen ik de kwestie halverwege het drie uur durende gesprek voorzichtig aanroerde, reageerde Luijters verbaasd. Wilde ik daar na al die jaren nou echt nog over schrijven? ‘Ik denk nooit aan die man,’ zei hij. Ik: ‘Daar geloof ik niks van.’ Goed, nou ja, soms dacht hij nog wel aan Brouwers, het was een vervelende zaak waar hij veel last van had gehad, maar het was al zó lang geleden, wat wilde ik ermee? ‘Jij bent de eerste journalist in twintig jaar die erover begint.’ ‘Nou Guus,’ antwoordde ik, ‘als jij zelf Guus Luijters ging interviewen, zou je er toch óók over beginnen?’ Toch knaagde intussen wel de twijfel of ik niet tegen de verkeerde boom aan het blaffen was. Het wás inderdaad lang geleden, een bizarre kwestie uit een compleet ander tijdperk. Misschien was het mijn hoogstpersoonlijke interesse en zaten de lezers van NRC Handelsblad hier inderdaad niet op te wachten.

Maar toen het gesprek vorderde en ook Luijters’ vrouw aan tafel was komen zitten, bleek dat de kwestie-Brouwers wel degelijk enorme impact heeft gehad en een grote wissel op het gezin heeft getrokken. Zo had Luijters’ dochter een tijd last van nachtmerries, en werd ze er vele jaren later tijdens een sollicitatiegesprek op een vervelende manier op aangesproken. Wat hij mij ook wilde doen geloven, het is iets waar Luijters veel vaker aan terugdenkt dan hem lief is.

Hoe diep de wond nog steeds is, merk ik als ik kort voor publicatie van het interview via Luijters’ uitgever het vriendelijke doch uiterst dringende verzoek krijg om de passage over Brouwers te schrappen, omdat hij het psychisch niet aankan als de zaak in de krant wordt opgerakeld. Ik schrap de passage niet, en als de – voor de serie ‘Sprekend’ noodzakelijke – portretfoto al gemaakt zou zijn, was ik vóór publicatie geweest. Al had ik uiteraard met Luijters te doen. Maar de enige die er gekleurd op stond in mijn ogen was Brouwers.

Hier is het ongepubliceerde interview te lezen.