Op de vorige school van mijn zoon zat Julius, een jongen met het syndroom van Down. Hij kende de namen van  alle 300 leerlingen van de school, en wist precies welke ouder bij welk kind hoorde. Het was een basisschool die trots was op de hoge uitstroom naar het gymnasium,  en of dat nu de achterliggende reden was of niet, op een gegeven moment vond de school dat Julius weg moest, tot grote teleurstelling van de ouders. Hij ging naar een zmlk-school. Toen ik Julius’ moeder een keer tegenkwam, vertelde ze dat hij op die school werd klaargestoomd om schoonmaker te worden, terwijl ze ervan overtuigd was dat hij slim genoeg was om administratief werk te doen.

Dan is er Hanna. Ze is zeven en heeft ook het syndroom van Down. Haar moeder schreef een brief naar NRC Handelsblad, naar aanleiding van mijn artikel Liever geen gebrek (zie pagina onderwijs) over het onvermogen van het reguliere onderwijs om om te gaan met kinderen die een beperking hebben. Ook Hanna zat op een gewone school en moest daar weg, de school zei: “Het gaat niet meer”. Hanna zit nu, net als Julius, op een zmlk-school. Elke ochtend fietst ze langs haar oude school. Moeder schrijft: “Het doet pijn om de kinderen bij wie ze in de klas zat, naar de school in de buurt te zien lopen. Wij fietsen verder, wind tegen en het regent ook een beetje. (…) ‘s Middags haal ik haar weer op, in het schriftje lees ik: ‘Ze heeft heerlijk gepuzzeld, met de klei gespeeld en t.v. gekeken. (…)’ Ze heeft al drie jaar gepuzzeld en gekleid, is er vandaag misschien ook nog gelezen, gerekend of geschreven?”

In de Volkskrant van zaterdag kwamen de ouders van Bruin aan het woord (Gewoon meeleren, Het Vervolg), een negenjarige jongen met het syndroom van Down. Hij zit op de 14de Montessori basisschool in Amsterdam, maar ook hij is niet langer welkom op zijn school. Volgens de school ging hij steeds meer de les verstoren, en trok hij meer en meer de aandacht weg van zijn klasgenoten. De vader van Bruin zegt: “Ik snap heus wel dat het zwaar is voor de juffen, maar zo gaat het met een kind met Down, ik kan het niet mooier maken.”

In hetzelfde Volkskrant-artikel staat dat Downkinderen volgens onderzoek meer opsteken in een gewone klas op een reguliere school dan in het speciaal onderwijs. Niet leervermogen of intelligentie, maar gedrag is de belangrijkste factor die bepaalt of kinderen met Down al dan niet op de gewone (buurt)school kunnen blijven. Zo was er een Down-jongen die na een proefperiode weg moest, want hij spuugde en trok andere kinderen aan de haren. Dat is naar en vervelend, maar wordt een niet-Down-kind óók zonder pardon naar het speciaal onderwijs verwezen bij zulk gedrag? Ik betwijfel het. Ik heb het gevoel, soms, dat Downkinderen in het reguliere onderwijs al te vaak mogen fungeren als een kijk-ons-eens-sociaal-zijn-mascotte. Ze zijn leuk en schattig, die mongooltjes. Zolang ze klein zijn.