Hij stond al een paar jaar op mijn lijstje van mensen die ik graag eens wilde interviewen: filosoof Joep Dohmen. Ik ontmoette hem ergens rond 2007 op een middelbare school in Nijmegen, waar hij in een forum zat en ik de discussie moest leiden. Na afloop reisden we samen per trein terug naar de Randstad. Ik was onder de indruk van hem en vooral van zijn vakgebied, de levenskunst. Hij had iets zwierigs en iets strengs tegelijk. Het woord sprezzatura schoot me te binnen, de bestudeerde flair van de hovelingen tijdens de Italiaanse Renaissance, waar ik als scholier ooit een opstel over schreef voor geschiedenis. Ik herinner me nog dat hij met grote zorg zijn jasje drapeerde over de rugleuning van de stoel voor hem. Slordig als ik ben, vond ik die aandachtigheid een teken van levenskunst, iets waar ik jaloers op was. Bij mij thuis heerst in materieel opzicht een permanente chaos. Toen ik hem dat vertelde, reageerde hij niet – zoals de meeste mensen zouden doen – schouderophalend, maar hij vond dat ik daar beslist iets aan moest veranderen. Ik kocht zijn boek Tegen de onverschilligheid, pleidooi voor een moderne levenskunst en las het gretig.

Nogal naïef van mij om te denken dat wie alles van levenskunst weet, ook een levenskunstenaar is. Toen ik hem dan eindelijk een paar weken geleden interviewde, vertelde Dohmen dat hij zich binnen de filosofie voelt aangetrokken tot de levenskunst juist omdat hij er zelf vaak zo weinig van terecht brengt. “Filosofie is voor mij een sublimatie van mijn eigen onvermogen om te leven,” zei hij. Zo erg kon het toch niet zijn, protesteerde ik, en ik bracht dat jasje in herinnering, dat hij zo toegewijd over de leuning hing. “Misschien had ik dat jasje wel op de grond moeten smijten,” antwoordde hij.  Wat ik als levenskunst zag, vond hij zelf een teken van verkramptheid. Losser worden, dat wil hij.

Dit weekend staat het interview met Joep Dohmen in NRC Handelsblad.