sneek-okt-20131

De afgelopen maanden heb ik verschillende artikelen geschreven over allerlei werkloosheidsprojecten in Nederland. Degelijke, informatieve achtergrondverhalen, maar wel van achter mijn bureau gemaakt. Dat heeft als voordeel – behalve dat het snel en efficiënt werkt – dat je nuchter, van een afstand, de dingen kunt bezien, maar soms is het goed om wél op pad te gaan, te kijken, ruiken, mensen in de ogen te kijken. Dat wist ik natuurlijk wel – ik heb in het verleden veel reportages gemaakt –  maar gisteren ervaarde ik het weer eens.

In een grote productiehal, in een grauw gebouw op een industrieterrein in Sneek werkten een stuk of vijftien mensen, mannen en vrouwen, oud en jong. Ze waren taxichauffeur geweest, of huisschilder, of onderwijzer, en waren hun baan kwijtgeraakt. Nu bevestigden ze rode plastic netjes met zonnepitten en pinda’s aan vogelhuisjes. De dag ervoor hadden ze potgrond in blikjes gedaan. Een jongen met stekeltjeshaar en een zilveren ketting om verkondigde luid dat hij zich laatst bijna verhangen had wegens de extreme geestdodendheid van het werk. Toch was niet het feit dat deze mensen eenvoudig productiewerk moesten doen op straffe van korting op hun bijstandsuitkering wat mij trof.

In de media volg ik de berichtgeving over de toenemende armoede, ik weet dat er voedselbanken bestaan, ken de werkloosheidscijfers. Maar in mijn wijde omgeving is – goddank – niemand zonder werk. Ik ken – voor zo ver ik weet – niemand van dichtbij die de eindjes aan elkaar moet knopen. Dat heeft ook met de regio te maken waar ik woon, vermoedelijk. In de noordelijke provincies hebben de banen ook in goede tijden altijd minder voor het oprapen gelegen dan in een stad als Haarlem. Ook dat wist ik. Maar nu voelde ik het. Ik rook de schroeilucht, afkomstig van het plastic waarin de vogelhuisjes met een sealing machine verpakt werden. En ik zag de gezichten van de mensen, de meeste zwijgzaam, die allemaal liever ergens anders wilden zijn dan hier.

Ik sprak met Kris, een opgewekte twintiger die als koerier gewerkt had, al een jaar thuis zat en blij was dat hij ‘s ochtends weer de deur uit kon, omdat hij gek werd van de hele dag gamen. Hij hoopte op een baan als productiemedewerker ergens in een fabriek. En met de 45-jarige Ymie, die na een moeizame schoolperiode (haar dyslexie werd pas ontdekt toen ze 29 was) zich langzaam had opgewerkt als chauffeur voor de dokterswacht, daarmee de baan van haar leven had gevonden maar wegens bezuinigingen haar 0-uren-contract verloor.

Met een somber gevoel stapte ik de bus in, terug over de Afsluitdijk. En ik nam me voor om weer vaker achter mijn bureau vandaan te komen. Niet alleen omdat de reportage zo’n mooi journalistiek genre is, maar ook omdat het voor een werkelijk begrip van wat er in de samenleving afspeelt nodig is om zo nu en dan – excusez le cliché –  ‘met je poten in de modder te staan’ als journalist. Om net als een politicus de werkelijkheid achter de statistieken te ervaren. Dat lijkt een open deur, maar zoals het voor politici verleidelijk is om onder hun kaasstolp te blijven zitten, geldt dat ook voor journalisten. In elk geval voor mij.