“Geachte Mevrouw Kooijman. Folia, het weekblad voor de Universiteit van Amsterdam (UvA), publiceert sinds enige tijd een serie gesprekken onder de titel Roem: interviews met toonaangevende/bekende mensen uit de wereld van kunst, cultuur, wetenschap, economie, politiek of media, die hebben gestudeerd aan de UvA. Omdat u aan dat profiel voldoet zou ik willen vragen of u mee wil doen aan een interview. Het interview zal hooguit een uur in beslag nemen, op een plek en tijd die u schikt. Mogelijk worden de interviews na afloop gebundeld in een boek. Voorafgaand aan het interview, of na afloop, zal fotograaf Bob Bronshoff een foto van u nemen. Uiteraard kunt u het interview voor publicatie inzien.

In het interview zouden onder meer de volgende onderwerpen aan de orde kunnen komen: 1. In hoeverre is de wereld van de wetenschap van invloed geweest op uw carrière? 2. Had u maatschappelijke idealen die verband hielden met de keuze van uw studie? 3. [etcetera]

Inmiddels zijn in deze serie interviews verschenen met onder meer regisseur Gerardjan Rijnders, uitgever Mai Spijkers, nieuwslezeres Sacha de Boer, de ministers Guusje ter Horst, Hirsch Ballin, Koenders en Cramer, schrijfster Connie Palmen, presentator Mieke van der Weij, schrijver Tomas Ross, aartsbisschop Eijk, cabaretier Freek de Jonge en schrijver Thomas Rosenboom. Graag zou ik willen vernemen of ik op uw medewerking kan rekenen zodat we een afspraak kunnen maken.”

Tot zo ver het mailtje dat ik onlangs kreeg. Mijn eerste gedachte was: Tegen een collega-interviewer zeg je geen ‘nee’ . Mijn tweede gedachte was: Waar sláát dit op? Roem? Bekende mensen uit de wereld van bla bla? U voldoet aan het profiel? Dacht het niet. Ik ben geen Sacha de Boer, geen Connie Palmen en zelfs geen Mieke van der Weij. Even hoopte ik dat ik het misschien zou kunnen worden, beROEMd, door dat interview, met foto van Bob Bronshoff. En misschien nog in een bundel ook. Maar toen ik de kandidaat-interviewer belde om te informeren waarom hij nu toch in ‘s hemelsnaam mij wilde interviewen, had hij daar geen antwoord op, behalve dat hij nog steeds volhield dat ik ‘ in het profiel’  paste. Want heus, er hadden ook journalisten in de rubriek gestaan, zoals Birgit Donker (hoofdredacteur NRC Handelsblad) en Pieter van den Blink (adjunct-hoofdredacteur van Vrij Nederland).

Hij wilde telkens maar mijn ego strelen met al die beroemde namen, maar dat had een averechts effect op mij. Ik was gekwetst. Als hij zich enigszins in mij verdiept had, had hij kunnen weten dat ik niet beroemd ben. Door te suggereren dat ik dat wel was, begreep ik dat hij niets van mij wist en zich ook niet wezenlijk voor mij interesseerde. Ik heb hem de volgende dag teruggemaild: “Ik ben er niet van overtuigd dat het een interessant gesprek gaat worden met mij.”