Religie is een van de onderwerpen waar ik graag over schrijf. Het is iets wat mensen bindt en splijt, iets wat het beste in mensen bovenhaalt, en het slechtste. Tot nog toe interesseerde ik me in het bijzonder voor de extremen: salafisten, Opus Dei-aanhangers, losgeslagen ex-gereformeerden, het miljoenenkapitaal van de Doopsgezinde Gemeente Haarlem. Mooie journalistieke onderwerpen, zeker (over de laatste twee heb ik daadwerkelijk geschreven), waar ik ook nu mijn neus niet voor zou ophalen.

Maar mijn laatste ‘godsdienstige’ artikel is anders. Daarin laat ik de lezer kennismaken met jongeren die streng-gereformeerd zijn opgevoed, zich gedeeltelijk van die afkomst hebben losgemaakt maar niet zijn doorgeslagen in iets anders, zoals fanatiek atheïsme of hedonisme. Ze hebben, zoals een bevriende collega opmerkte, alle dingen onderzocht en het goede behouden.

Ik heb het afgelopen jaar wel spectaculairdere verhalen geschreven. Mijn stuk over de orthodox-islamitische achtergrond van huiswerkinstituut de Witte Tulp leidde tot Kamervragen en noopte prominenten om zich terug te trekken uit het comité van aanbeveling. Over de in alle opzichten ongevaarlijke postrefo’s maakt niemand zich druk. Toch heb ik het gevoel dat ik met dit stuk als journalist een tree hoger ben geklommen, omdat ik me heb laten boeien, niet door iets groots en meeslepends (dat is geen kunst), maar door de genuanceerdheid en de subtiliteit van de postgereformeerde levensvisie. Die bovendien – voor zover ik weet – nog niet eerder door een journalist beschreven is. Ook dat is mooi natuurlijk, want de scoringsdrift, die is niet gedoofd 😉

Christelijk gemiereneuk zegt hen niets over God (NRC Next, 12 juli 2011)