Heerlijk is het, om je als niet-bèta een exact onderwerp haarfijn te laten uitleggen door een deskundige. En dat je het dan snapt. Een tijdje geleden ontmoette ik een wetenschapper, een schimmeldeskundige, die zo aanstekelijk kon vertellen over zijn werk dat ik heel even overwogen heb om me, niet gehinderd door kennis van de meer exacte domeinen (mijn vakkenpakket op de middelbare school bestond uit zes talen en geschiedenis), in de wetenschapsjournalistiek te bekwamen. Juist als alpha zou ik heel goed in staat zijn om ingewikkelde technische en natuurwetenschappelijke ontdekkingen te verklaren voor een lekenpubliek, dacht ik. En ik geloof ergens nog steeds dat het zo is. Niettemin heb ik het idee al snel laten varen, want een gebrek aan achtergrondkennis is voor een journalist misschien soms in zeker opzicht een voordeel – hij kan zich goed in zijn niet-ingevoerde lezers verplaatsen –  maar meestal  toch een (groot) nadeel. Voor mijn interview met Sybren de Hoog, bestemd voor het jaarverslag van de KNAW, kon ik met goed fatsoen de ingénue zijn die ik ben op schimmelgebied. Maar in veel andere gevallen is het nodig om iemands verhaal kritisch te kunnen beoordelen en op waarde te schatten in de context van de wetenschap. Met dat besef eindigde mijn kortstondige dagdroompje.