Opeens was ik benieuwd naar mijn allereerste krantenverhaal. Ik schreef het in oktober 1999 voor de Volkskrant. Voor die tijd had ik ook al heel wat weggetikt voor die krant, maar dat waren vertalingen, teksten die anderen bedacht hadden. Zelf schrijven bleek – in volgorde van belangrijkheid – leuker en makkelijker (ja, echt!), lucratiever en prestigieuzer.

Een beetje vervreemdend, om zo’n verhaal uit de oude doos terug te lezen. Mijn stijl is veranderd, minder bloemrijk. Misschien is dat wel jammer. Mijn ziel en zaligheid zit in dat stuk, dat lees ik eraan af. Maar wat wil je? Mijn allereerste artikel, niet mijn allereerste artikel voor een landelijke krant, nee, mijn allereerste journalistieke productie. Daar móet je je ziel en zaligheid ingooien, anders wordt het niks. ‘Een talent is opgestaan,’ zei Frans van Schoonderwalt, de aardigste Volkskrantredacteur ooit, toen hij het gelezen had. Was de dienstdoende redacteur een zuurpruim geweest die wilde voorkomen dat dat omhooggevallen vertalertje naast haar schoenen zou gaan lopen, tja, misschien was het dan wel anders gelopen.

Het verhaal gaat over het Haarlemse draaiorgelmuseum, dat nog steeds bestaat. Het is verhuisd, dus de beschrijving van de schamele locatie is niet meer actueel, de sfeertekening wel!