In NRC Handelsblad schrijft Derk Walters dit weekend over de etnische segregatie in het voortgezet onderwijs. “Verwoestend” noemt Zeki Arslan van Forum die. “Segregatie in het onderwijs is funest voor de integratie van diverse bevolkingsgroepen in de samenleving.” Een open deur, zou je zeggen. Segregatie is een kwaad dat bestreden moet worden. Al was het maar omdat de prestaties van álle leerlingen achteruit gaan als een school een te hoge concentratie achterstandssleerlingen heeft. (De kritische grens ligt daarbij op 40 procent achterstandssleerlingen.) Maar Zeki Arslan, die vindt dat de overheid “zware middelen” moet inzetten tegen de segregatie en dat (witte) ouders en schoolbesturen “krachtig moeten worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid” krijgt weinig steun. De onderwijswethouders van de vier grote steden hebben de strijd opgegeven. De Rotterdamse wethouder Leonard Geluk zegt: “De fase van streven naar fifty-fifty zijn we voorbij. Alleen gemengde scholen lukt niet.” Als reden geeft hij dat zeventig procent van de schoolgaande jeugd in Rotterdam van allochtone afkomst is. Oké. Maar moet je je er ook bij neerleggen dat al die allochtone achterstandsleerlingen op zwarte achterstandsscholen zitten?  

Freelance onderwijsjournaliste Anja Vink heeft in M  van afgelopen september uitgebreid uit de doeken gedaan hoe achterstandsscholen kampen met een cumulatie van problemen: een groot verloop aan leerkrachten, een gebrek aan goed personeel, weinig of geen betrokkenheid van ouders, taalachterstand, agressie.  Vink heeft het over een “tijdbom” die tikt In de binnensteden van Nederland. “De samenstelling van de schoolbevolking heeft grote invloed op de schoolprestaties van leerlingen. Maar in Nederland zijn er nog genoeg mensen in onderwijs én politiek te vinden die dit vaststaand feit ontkennen en blijven volhouden dat ook scholen met een meerderheid aan allochtone achterstandsleerlingen goed kunnen zijn.” 

“Segregatie in het voortgezet onderwijs vrijwel onoplosbaar” luidt een tussenkop van het artikel van deze week. Behalve de strijdbare Arslan klinken de geïnterviewden somber, op het defaitistische af. Rector Scharff van het Libanon Lyceum in Rotterdam (een sinds kort – dankzij een nieuw ingevoerd onderwijsconcept – weer wat gemengdere school), zegt: “Ik zou niet weten wat het kabinet kan doen tegen de segregatie”.  Een leraar maatschappijleer van datzelfde lyceum: “Segregatie in het onderwijs is niets nieuws. In mijn tijd had je de scheiding tussen jongens en meisjes, tussen arm en rijk. Nu is het zwart en wit. Ik wou dat we kapten met die hele discussie. Het etiketteert en het stigmatiseert.” 

Velen steken hun kop in het zand, ook zij die meer dan normaal begaan zijn met het lot van allochtone kinderen. Toen ik vorig jaar voor NRC Handelsblad een reportage maakte op het City College, een zwarte havo-vwo-school in Rotterdam, zei een van de docenten: “Die witte kinderen, ik hóef ze niet eens meer!” De leerlingen zelf zagen het probleem al helemaal niet. “Waarom zouden er meer Nederlanders op deze school moeten zitten?” vroeg Kaltoum, een Marokkaans meisje uit 6vwo. “Wij komen hier niks te kort. Nederlanders kunnen mij toch niet begrijpen. Wij komen uit een heel andere cultuur.” Kaltoum zit nu waarschijnlijk op de Erasmus Universiteit, ze wilde daar rechten gaan studeren. De Erasmus Universiteit wordt ook steeds zwarter. Zo leeft een meisje als Kaltoum – intelligent, gemotiveerd om te leren, accentloos Nederlands sprekend – jaren en jaren in een subcultuur, tot ze halverwege de twintig is en met een universitair diploma op zak de maatschappij in gaat. Dan moet ze alsnog de Nederlanders leren begrijpen.